Tinus Derks

Ik leerde haar kennen, een middag in mei,
ze stond patat friet te verkopen.
Haar vrolijke lach en haar decolleté
braken het zwerk voor mij open.

Ze stond op de markt die middag in mei,
de blaadjes kregen weer bomen.
Ik sloeg bij het zien van haar slanke figuur
meteen van verliefdheid aan ’t dromen.

Refrein:
In de septembernacht
zit ik van spijt te slikken:
Sophie met haar horny oogopslag,
die me nu laat stikken.

Vanaf die bijzondere middag in mei
wist ik daag’lijks mijn honger te stillen
met een portie patat en elke dag weer
zaten wij met z’n tweeën te chillen.

Drie maanden lang ging ik zes keer per week
bij haar langs om patat te verwerven.
We waren verliefd en beloofden elkaar
het hemelse rijk te beërven.

Refrein

We gingen als paar naar het dichtersfestijn,
het Tuinfeest in Deventer hoven.
Daar werd ze verliefd op een Turkse poëet.
En ik werd naar elders gewoven.

“Jij bent door het eten van al die patat
a little too much aangekomen”.
dat zei ze en ik, ach, besefte meteen:
Patat maakt een eind aan je dromen.

Refrein

Tinus Derks

Twee neutraliteiten tussen
botsende ego’s, verbonden
door Calvijn en Rijn. Alp of
polder, dat is de kwestie.

Twee uiterste uitingen van
bezwerende ordening in
het derde oorlogsjaar. Twee
explosies van scheppingsdrift.

Dada en De Stijl, contrasten
als weerspiegeling van het
landschap van hun geboorte,
hoog- en laaglandse vorming.

Kunstzinnige vrijheidsdrang
voor grillig hooggebergte.
Rechte lijnen en figuren voor
verkaveling van land en geest.

Tinus Derks

Laten we het toch eens hebben over
weeffoutjes in de schepping, zoals
het verschil in duur tussen geboorte

en dood. De geboorte een stip op
de tijdlijn van ieder mens. De weg
naar het einde een steeds scherper

naar de nulas dalende lijn. De een
bereikt het snijpunt na honderd jaar
of meer, de ander na nauwelijks

de helft. Rechtvaardigheid is ver te
zoeken. Hij die alledaagse woorden
dichtte tot onsterfelijke taal kwam

niet verder dan eenenvijftig jaar.
Laten we het toch eens hebben
over weeffoutjes in de schepping.

Tinus Derks

Zeg mij: waar, in welk ver domein
is Dik Trom,die van groot gewicht was:
Pietje Bel, die er ook mocht zijn;
Donald Duck, die als oom te licht was.
Sjors, die met spijt verplicht was
te zien dat Sjimmie zwart als teer
bij de meisjes veel meer in zicht was.
En waar is het kind van weleer?

Kap’tein Rob, zeg ons waar is hij,
deze zeerob, die nooit het land had?
Ollie B., die in onheilstij
met Tom Poes steeds ’n sterke band had.
En Paulus, die in ’t bos een pand had;
de boze wolf die steeds maar weer
de drie biggen haast in zijn hand had.
En waar is het kind van weleer?

En Sneeuwwitje, die blank als ijs
zeven dwergen alom bekoord heeft.
Waar is Holle Bolle Gijs,
die van lijnen nog nooit gehoord heeft.
Het eendje dat als zwaantje voortleeft;
Moeder de Gans, die keer op keer
naar ’n welluidend slotakkoord streeft.
En waar is het kind van weleer?

Envooi

Toe, zeg mij toch waar deze schare
gebleven is als ik beweer,
dat ze voor mij echt helden waren .
Ach, waar is het kind van weleer?

Tinus Derks

Vannacht was ik weer eens
in mijn oude school.

In de administratieruimte
stond ik gewoon mezelf te zijn.

Plotseling stond voor de balie,
sterk vermagerd, mijn vader.

Ik was niet eens verbaasd,
hoewel ik heel goed besefte,
dat hij al meer dan veertig jaar
dood was.

Ik kuste hem tot mijn eigen
verbazing, want dat heb ik
sinds mijn kindertijd
nooit meer gedaan.

Omdat ik bang was dat hij
in het Drents tegen me zou
beginnen, nam ik hem gauw
mee naar mijn conrectorkamer.

Onderweg daarheen deelde hij
me mee, dat ze hem benoemd
hadden tot lid van het bestuur.

Ik vond dat geen goed idee.

Tinus Derks