Tinus Derks

Door mijn nieuwe bril
bekijk ik aandachtig
mijn zelfportret
in spiegelbeeld.

Haarscherp zie ik twee
hulpbehoevende oren,
nog altijd tuk op
ongehoorde zaken.

Ik zie twee vragende
ogen die zonder bril
te kampen hebben met
sluipend gezichtsverlies.

Ook zie ik diepe bijna
symmetrische groeven als
tweevoudige verbinding van
neusvleugel en mondhoek.

Op beide wangen zie ik
sporen van de meimaand,
die januari in mijn hart
verborgen houden.

Door mijn nieuwe bril
zie ik wat ongezien
had moeten blijven
maar toch gezien wordt.

Was nou maar niet naar
Specsavers gegaan.

Tinus Derks

Ik wou dat ik een dichter was
en twintig kilo lichter was
en niet zo knap

Ik wou dat ik nog knapper was
en elke dag weer dapper was
maar minder slim

Ik wou dat ik nog slimmer was
en tevens bergbeklimmer was
maar minder gek

Ik wou dat ik wat gekker was
en voor mijn lief weer lekker was

Tinus Derks

Bij het beluisteren
van bepaalde muziek
krijg ik altijd kippenvel.

Erbarme dich, Summertime,
Concerto pour la main gauche.
Louange à l’éternité de Jésus.

Dan besef ik dat deze
muziek het gevolg is van
onrecht, geweld, willekeur.

Huiver is mijn deel:
geen topkunst zonder
doodstraf, slavernij, oorlog.

Hadden Odysseus en Turner,
vastgebonden aan de mast,
last van kippenvel of huiver?

En ben ikzelf eigenlijk
wel helemaal in
orde,dokter?

Tinus Derks

Tijdens mijn laatste winterreis
wil ik nog één keer vlammen;
ik ga op pad om onderweg
gewetenloos te drammen.

Op weg naar nergens is mijn doel
de goden te mishagen;
dus zal ik op mijn lijdensweg
mij voor het laatst misdragen.

Ook wil ik op mijn dodenmars
al mijn frustraties uiten
en ga ik mij met groot gemak
aan treiterij te buiten.

Graag zou ik op mijn wintertrip
met stijl hallucineren;
de menigte besmeurt mij dan
geheid met pek en veren.

Met spijt bied ik mijn zielenheil
aan voor wat zilverlingen;
daarna zal ik met stramme strot
oranje boven zingen.

In elke stad wil ik een steen
naar lege hemels gooien;
met fiere blik zal ik mij met
des keizers kleren tooien.

Bevangen door de helse kou
sla ik liederlijk aan ’t zingen
over ’t beloofde paradijs,
dat wij nooit binnen gingen.

Urnschrift:

Hij was toerist tot in de kist
en hield niet op met drammen,
maar kon conform zijn grootste wens
op ’t laatst nog één keer vlammen.

Tinus Derks

Ik leerde haar kennen, een middag in mei,
ze stond patat friet te verkopen.
Haar vrolijke lach en haar decolleté
braken het zwerk voor mij open.

Ze stond op de markt die middag in mei,
de blaadjes kregen weer bomen.
Ik sloeg bij het zien van haar slanke figuur
meteen van verliefdheid aan ’t dromen.

Refrein:
In de septembernacht
zit ik van spijt te slikken:
Sophie met haar horny oogopslag,
die me nu laat stikken.

Vanaf die bijzondere middag in mei
wist ik daag’lijks mijn honger te stillen
met een portie patat en elke dag weer
zaten wij met z’n tweeën te chillen.

Drie maanden lang ging ik zes keer per week
bij haar langs om patat te verwerven.
We waren verliefd en beloofden elkaar
het hemelse rijk te beërven.

Refrein

We gingen als paar naar het dichtersfestijn,
het Tuinfeest in Deventer hoven.
Daar werd ze verliefd op een Turkse poëet.
En ik werd naar elders gewoven.

“Jij bent door het eten van al die patat
a little too much aangekomen”.
dat zei ze en ik, ach, besefte meteen:
Patat maakt een eind aan je dromen.

Refrein

Tinus Derks