Tinus Derks

(vrij naar De Dapperstraat van J.C. Bloem)
         
Cultuur is voor veerkrachtigen of legen,
En dan: wat is cultuur nog in dit land?
Een stukje tekst, een column  in de krant,
Een muurtje met wat kunstwerkjes ertegen.

Geef mij de ruwe, bomenrijke wegen,
De beladen rietomzoomde waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, pikant
Als zwellichamen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Gezegend, op een zonbegoten morgen,
Domweg gelukkig, in de Oostermaat.

Tinus Derks

Dichterlijk ongerief!
Dichters van Deventer,
Hoog in O.B. bijeen,
Onder t.l.,
Ruilden hun hemelspoort,
Wanhoopbevestigend,
In voor de Hades van
Perlase hel.

Tinus Derks

De dichter die op Deventer wil dichten,
Is meer onthand dan zij die op hun fiets
Hun dichterlijke kunnen willen richten,
Want op dat voorwerp rijmt tenminste iets.

De dichter die van Deventer wil zingen,
Vindt in vertwijfeling wel iets gratuits
Als Koek- en Hanzestad, ja van die dingen,
Maar nee, op Deventer rijmt echtwaar niets.

Hij zoekt, als hij zijn habitat wil eren,
In arren moede naar iets erudiets,
Maar moete ten langen leste concluderen:
Zo’n stad biedt minder kansen dan een fiets.

Tinus Derks