Tinus Derks

Zonder Pascal zou ik
ook geen weddenschap
afsluiten over het
bestaan van God.

Zonder huis zou ik
geen kamer hebben
om alle onheil rustig
voorbij te laten gaan.

Zonder rugpijn zou ik
dagelijks te voet lange
tochten maken in de
Sallandse bossen.

Zonder fiets zou ik
de deur niet uitgaan,
maar rustig in een
kamer blijven.

Zonder vrouw zou ik
nog veel luier zijn
dan ik van nature
toch al ben.

Zonder virus zou ik
nu onderweg zijn
naar een zonnig
vakantieland.

Tinus Derks

Mijn zusje heeft asperger,
mijn broer is morfinist.
Mijn vader, nog veel erger,
die ligt al in zijn kist.

Mijn oma is wat in de war,
haar hulproep klinkt steeds harder.
Haar man, voorheen een krasse knar,
is echter nog verwarder.

Mijn neef, die potloodventer,
heeft covis negentien.
Hem mijden is urgenter
dan dat het was voordien.

Mijn nicht is nymfomaan,
haar zus is nymfomaner.
Zus één is zelfvoldaan,
de tweede zelfvoldaner.

Ook heb ik nog een zwager,
dat is zo’n rare ziel.
Hij is niet slechts te mager,
maar ook nog pedofiel

Dan oom Jan, de bigamist.
Zijn beide vrouwen, oogstrelend
mooi als paarse amethist,
klagen steevast alles delend.

Zelf ben ik heel gewoontjes,
zo af en toe wat nukkig.
Trots zeven zotte zoontjes
ben ik nog vrij gelukkig.

Tinus Derks

Ze betrad het café
met tastende stok,

herkende mensen
aan hun stem.

Beperkt van zicht,
invoelend van blik.

Zonder poespas zei
ze haar gedichten.

Haar taal was een
en al betrokkenheid,

haar poëzie steeds
food for thought.

Tinus Derks

Et la fête continue

Debout devant le zinc
Sur le coup de dix heures
Un grand plombier zingueur
Habillé en dimanche et pourtant c’est lundi
Chante pour lui tout seul
Chante que c’est jeudi
Qu’il n’ira pas en classe
Que la guerre est finie
Et le travail aussi
Que la vie est si belle
Et les filles si jolies
Et titubant devant le zinc
Mais guidé par son fil à plomb
Il s’arrête pile devant le patron
Trois paysans passeront et vous paieront
Puis disparaît dans le soleil
Sans régler les consommations
Disparaît dans le soleil tout en continuant sa chanson

Jacques Prévert
Muziek: Joseph Kosma

Youtube: Yves Montand, Les Frères Jacques, Louis Puthod, Germaine Montéro, Jacques Douai.

Er komt geen eind aan het feest

Rechtop tegen de tap
Klokslag om negen uur
Een loodgieter vol vuur
In zijn zondagse pak maar de maandag is daar
Hij zingt voor zich alleen
Zingt dat het zondag is
Hij hoeft dus niet naar school
En voorbij is de strijd
En het werk uit de tijd
‘t Leven is een festijn
En de meisjes zo fijn
Onvast ter been tegen de tap
Maar door zijn schietlood rechtgeaard
Tot stilstand gebracht tegenover de waard
Er komen drie boeren die brengen je geld
Lost langzaamaan op in de zon
En rekent niet af met de waard

Lost langzaam op in de zon en vervolgt enthousiast zijn chanson

Vertaling: Tinus Derks

Door mijn nieuwe bril
bekijk ik aandachtig
mijn zelfportret
in spiegelbeeld.

Haarscherp zie ik twee
hulpbehoevende oren,
nog altijd tuk op
ongehoorde zaken.

Ik zie twee vragende
ogen die zonder bril
te kampen hebben met
sluipend gezichtsverlies.

Ook zie ik diepe bijna
symmetrische groeven als
tweevoudige verbinding van
neusvleugel en mondhoek.

Op beide wangen zie ik
sporen van de meimaand,
die januari in mijn hart
verborgen houden.

Door mijn nieuwe bril
zie ik wat ongezien
had moeten blijven
maar toch gezien wordt.

Was nou maar niet naar
Specsavers gegaan.

Tinus Derks