Tinus Derks

 (Op de wijs van het
  staldeurtje kraakte.)

Het sneeuwklokje bloeide,
de kat mauwde zacht.
Toen hij het besproeide,
was zijn taak volbracht.

En knaap met een roosje
vond dat niet zo fine.
Hij zei na een poosje:
“Bitte, nicht  mein Röslein”.

De kat sprak genadig:
“Wat dacht u meneer?
dat lijkt me misdadig,
want doornen doen zeer”.

Tinus Derks

Tijdens de lockdown
spiegelen de dagen de dagen,
wordt het toeval tarten
ten zeerste afgeraden,
wordt verbeiden verheven
tot lome levenskunst,
blijft plezier van hogerhand
bij voorkeur binnengaats,
worden wakken geslagen
in wakkere waardigheid.

Om het tij te keren
wordt een mengsel gebrouwen
van plaag- en pleasegedrag
en worden bij de huiselijke
haard huid en haar gekoesterd.

Tinus Derks

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Mijn haren dansend in de wind
Mijn ogen kijken meestal loom
Alsof ik in mezelf wat droom
Al droom ik niet meer als een kind
Mijn handen van een duitendief
Van muzikant vol ongerief
Die zoveel onheil heeft gezien
Mijn onverzadigbare mond
Die dronk en beet, geen eten vond
Terwijl ik honger had voor tien

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Van zwerver steeds op zoek naar rust
Ik met mijn huid die is geblaakt
Door elke zon is aangeraakt
En al wat rokken droeg gekust
Mijn hart dat listen heeft gesmeed
Zelf ook niet vrij van minneleed
Maar dat vergat ik in een tel
Mijn ziel verloor zijn gouden glans
En zo vervliegt mijn laatste kans
Om te ontkomen aan de hel

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Ik met mijn veel te lange haar
Ik kom mijn langverwachte bron
Mijn zielsverwant mijn compagnon
Naar jou en vier je twintig jaar
En ik word dan in jouw verhaal
Je held, je lief, je prins-gemaal
Aan jou de keus wie ik zal zijn
En wij beleven ieder uur
Ons niet te blussen minnevuur
En dat zal eeuwig bij ons zijn
En wij beleven ieder uur
Ons niet te blussen minnevuur
En dat zal eeuwig bij ons zijn

Hertaling Tinus Derks

Le Métèque

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
Et mes cheveux aux quatre vents

Avec mes yeux tout délavés
Qui me donnent l’air de rêver
Moi qui ne rêve plus souvent
Avec mes mains de maraudeur
De musicien et de rôdeur
Qui ont pillé tant de jardins
Avec ma bouche qui a bu
Qui a embrassé et mordu
Sans jamais assouvir sa faim

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
De voleur et de vagabond
Avec ma peau qui s’est frottée
Au soleil de tous les étés
Et tout ce qui portait jupon
Avec mon cœur qui a su faire
Souffrir autant qu’il a souffert
Sans pour cela faire d’histoires
Avec mon âme qui n’a plus
La moindre chance de salut
Pour éviter le purgatoire

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
Et mes cheveux aux quatre vents
Je viendrai, ma douce captive
Mon âme sœur, ma source vive
Je viendrai boire tes vingt ans
Et je serai Prince de sang
Rêveur ou bien adolescent
Comme il te plaira de choisir
Et nous ferons de chaque jour
Toute une éternité d’amour
Que nous vivrons à en mourir
Et nous ferons de chaque jour
Toute une éternité d’amour
Que nous vivrons à en mourir

Georges Moustaki

Marquise, si mon visage
a quelque traits un peu vieux,
souvenez-vous qu’a mon âge
vous ne vaudrez guère mieux.
 
Le temps au plus belles choses
se plaît a faire un affront :
et saura faner vos roses
comme il a ridé mon front.
 
Le même cours des planètes
règle nos jours et nos nuits :
on m’a vu ce que vous êtes ;
vous serez ce que je suis.
  
Peut-être que je serai vieille,
Répond Marquise, cependant
J’ai vingt-six ans, mon vieux Corneille,
et je t’emmerde en attendant.

Pierre Corneille / Tristan Bernard

Marquise

Marquise, al zijn de trekken
In mijn gelaat wel wat oud,
Besef dat jij je schoonheid
Ook niet jarenlang behoudt.

De tijd dwingt al wat schoon is
Zonder pardon tot verval.
Verdord maakt hij jouw rozen,
Mijn groeven zonder tal.

De ommegang der planeten
Bestiert de mens elk ogenblik.
Ooit was ik zoals jij nu,
Eens zul jij zijn als ik.

Ik zal misschien wel ooit oud zijn,
Antwoordt Marquise zonder spijt,
‘k Ben twintig jaar, waarde Corneille,
Aan jou heb ik jaren nog schijt.

Vertaling: Tinus Derks

Toelichting

De eerste drie coupletten van dit chanson zijn afkomstig uit een langer gedicht van Pierre Corneille (1606-1684), bekend als toneelschrijver (Le Cid). Het vierde couplet is van de hand van de humoristische schrijver Tristan Bernard (1866-1947).

Georges Brassens (1921- 1981) heeft het gedicht op muziek gezet. De Stances à Marquise van Corneille is een gedicht van acht kwatrijnen. Het thema is: CarpeDiem (Pluk de dag).

Marquise (haar echte naam: Thérèse Gorla) is een beeldschone actrice en Corneille, al behoorlijk op leeftijd, maakt haar zogenaamd het hof. Dat is geen versiertruc, maar een aanleiding om een schoon vers te schrijven, want ook de schoonheid van Marquise gaat voorbij, maar zal tot in lengte van dagen voortduren dankzij het gedicht dat Corneille aan haar gewijd heeft.

Tristan Bernard doet net af het wel een versiertruc is en voegt er uit naam van Marquise een vierde kwatrijn aan toe aan de eerste drie kwatrijnen van Corneille.

Zonder Pascal zou ik
ook geen weddenschap
afsluiten over het
bestaan van God.

Zonder huis zou ik
geen kamer hebben
om alle onheil rustig
voorbij te laten gaan.

Zonder rugpijn zou ik
dagelijks te voet lange
tochten maken in de
Sallandse bossen.

Zonder fiets zou ik
de deur niet uitgaan,
maar rustig in een
kamer blijven.

Zonder vrouw zou ik
nog veel luier zijn
dan ik van nature
toch al ben.

Zonder virus zou ik
nu onderweg zijn
naar een zonnig
vakantieland.

Tinus Derks