Uit-en-thuis

Uit-en-thuis zo met elkaar verklonken
dat je niets dichten kunt
met of het ene of het and’re woord

toch zit er in die uitspraak
iets verborgen dat ‘t verfoeibaar is
te zeggen: thuis ben ik ook uit

dat zou te gek zijn, zeg,
en bovendien ondragelijke
onrust stoken als je
thuis altijd en zonder meer
ook als uit beschouwt

maar uit kan zonder meer
wel thuis zijn
daar ben ik zeker van

ik heb zo’n plek
ik was er juist nog
daar is het immer groen
ook midden in de winter

en in het voorjaar
gaat die plek zo onbedaarlijk
aan me trekken
dat ik haar smachtend
nimmer kan weerstaan

Sieth Delhaas