Sieth Delhaas

Bladeren vergelen
de enige beweging
op het uitgestrekte plein dat
zonder tafels, zonder stoelen
zonder volle glazen
zijn zin verloor

Wat valt er nog te plukken?

klapwiekend maakt een
handvol vleermuizen
zich uit de takken los
spookachtige schaduwen

hoe stijgen ze op
dwalen
verdwijnen
over een
onbevaarbare rivier

Sieth Delhaas
oktober 2020

Onder ogen zien wat
de tijd reikt
willekeur binnen laten
zich begeven in nietszeggende stilte
eenzaamheid aangaan
het is als spiegels
waarin het innerlijk zich
weerkaatst in
vormen en kleuren
schitterend
stralend in verten
wat geen oog ooit zag
geen oor ooit hoorde
volheid vloeibaar
steeds dezelfde
die gezien mag worden
geen ander
dezelfde die
zich steeds meer
een waagstuk weet

Sieth Delhaas
september 2020

Steeds slipt jouw naam over mijn lippen
in het rijtje dat mijn aandacht vraagt
die dag – wat wil je ook na vier decennia –

eerst merkte ik het niet
daarna corrigeerde ik mezelf
vanochtend liet ik het
wetend van het slijten

wat blijven mag
het zaaien van radijs, dat
zich na zoveel dagen toont als een gebed

wat blijven mag de van levensvreugde
doortintelde ontvangst belicht door
warme herfstzonstralen

wat blijven mag de nagalm van
de klanken uit jouw kamer
als was je de enige bewoonster

zo zat je daar
die lange gang
bezwangerd van wat jou vervulde

je kwetsbaar scheefgegroeide lijfje gehuld
in een van je kokette kleedjes
zo passend bij het chique onderkomen

koningin van het leven vastbesloten
ook de laatste jaren van jouw eeuw
als gift te vieren

en hoe ik zelf – op een middag –
zoekend naar een mailadres – ja, excusez –
langzaam en lettertje voor lettertje het jouwe wiste

Sieth Delhaas, mei 2020

Een moeder en haar tienerdochter
passeren
pink aan pink
innig
vluchtig
vast
Zou dat lopen van die twee
verwant zijn aan Corona?

vanaf mijn bankje
blik op de IJssel
ongenaakbaar zilver lint
eindeloos blauwe hemel

zegt een vader
fiets aan de hand
tegen zijn zoontje
steppend om
z’n trappers te vangen:
‘dat is wat je ruikt: water’
Zou dat spreken van die twee
verwant zijn aan Corona?

Sieth Delhaas

In de donkere Corona-nacht sta ik
voor het raam
mijn straat als uitgestorven
geen aangeschoten jongeren die

– gewoonlijk rond de klok van vijf –
luidruchtig van de Brink mijn straat
door slingeren
bewoners wakker schuddend
hun beschonken stemmen stuiterend
tegen de hoge gevels van mijn oude Postkantoor
bij lange na niet bij de tijd
van de naakt geworden straten.

Sieth Delhaas
maart 2020