Pieter Bas Kempe

Bier is het leven – water om zich mee te wassen
(vrij naar een Frans gezegde)

Vanaf een Brabants terras, nauwkeuriger
dat van de uitspanning “Het Pannehuske’’
in de bossen bij Achtmaal, buiten Zundert,

zien hoe een ruiter, juist zijn paard ontstegen,
de herberg verlaat met Westmalle Dubbel
in tweevoud – voor zichzelf en zijn edel dier.

Beiden lijkt de Trappist wel te bekomen:
zie hen gaan, likkebaarden d voort op de zandweg,

terwijl de dichter de dag en haar Dubbel
plukt – net als haar juist ontstane gedicht,
geenszins voortbrengsel van een waterdrinker…

P.B. Kempe, oktober 2020

Hotel Meer dan de Wereld :
Van Harderwijk tot Aden ,
Langs Nederlandsche Leeuw ,
Uit archipel, op oceaan ,
Doorheen Ardenner sneeuw

Dichter

Bij Charleville-Mezieres
te geraken

bracht hem beredeneerd
en absoluut modern
op hol de kop ,

met/zonder
Java, evenaar, Harrar,
hun zonneklop.

P.B. Kempe, mei 2013

KLEINE RIMBALDIAANSE TOELICHTING

Onze goede Hanze-zusterstad Harderwijk mocht anno 1876 Arthur Rimbaud binnen de stadsgrenzen verwelkomen: hij nam er, in zijn hang naar avontuur, dienst bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), tegen een meer dan koninklijke vergoeding. Na de lange bootreis naar de Gordel van Smaragd voelde hij weinig meer voor blootstelling aan de Atjeh-oorlog, tropische ziektes en hitte – reden waarom hij per kerende zeepost als deserteur naar Europa terugkeerde… Onze goede Harderwijker zuster-dichtersgroep ‘’Apollo’s Kamer’’ hield meerdere Rimbaud- voordrachten, waaraan ook ondergetekende meewerkte. Daaruit een tweetal gedichten: oplettende lezers hebben gelijk wanneer zij deel 2 uit de cyclus missen, dat slaat namelijk vooral op de stad Harderwijk zelf en dient met muziek te worden uitgevoerd. Het eerste deel is een schets van Rimbaud zijn veelvormig leven; deel 3 is een vrije bewerking van zijn Au Cabaret-Vert, naar aanleiding van mijn eigen Zeeuwse omzwervingen in de hete augustusmaand van het jaar 2012!

Uur na uur had ik mijn rubber laten slijten
door Zeelands asfalt = en kwam aan te Colijnsplaat,
“De Vismijn” bood bood Jupiler om in te bijten :
met schuim om de mond tilde ik de tong van de graat, 

bestelde mosselen met mayonaise en friet –
ik rekte mij uit onder tafel, tevreden
kijkend naar tatoeages die men zelden ziet,
maar nader kwamen de uitgestrekte leden 

van de dienster met gouden oorijzers en lach
– zo eentje dier nagels blootshands ramt in planken! –
deinend laveerden tussen tafels en banken, 

mij de schaal brachten waaruit  de knoflook geurde,
waarin ik scherp gekruid avontuur bespeurde
dat mij verleidde tot een zilte nieuwe dag.                                                    

P.B. Kempe, mei 2013                                                                                       

AU CABARET VERT                                                                                          

Cinq heures du soir

Depuis huit jours, j’avais déchiré mes bottines
Aux cailloux des chemins. J’éntrais à Charleroi.
– Au Cabaret Vert : je demandai des tartines
De beurre et du jambon qui fût à moitié froid.

Bienheureux, j’allongeai les jambes sous la table
Verte : je contemplai les sujets très naïfs
De la tapisserie – Et ce fut adorable,
Quand la fille aux tenons énormes, aux jeux vifs,

– Celle-là, ce n’est pas un baiser qui l’épeure! –
Rieuse, m’apporta des tartines de beurre,
Du jambon tiède, dans un plat coloré,

Du jambon rose et blanc parfumé d’une gousse
D’ail, – et m’emplit la chope immense, avec sa mousse
Que dorait un rayon du soleil arriéré.                                                                    

Octobre 70
(Arthur Rimbaud, 1854 – 1891)

KLEINE RIMBALDIAANSE TOELICHTING

Onze goede Hanze-zusterstad Harderwijk mocht anno 1876 Arthur Rimbaud binnen de stadsgrenzen verwelkomen: hij nam er, in zijn hang naar avontuur, dienst bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), tegen een meer dan koninklijke vergoeding. Na de lange bootreis naar de Gordel van Smaragd voelde hij weinig meer voor blootstelling aan de Atjeh-oorlog, tropische ziektes en hitte – reden waarom hij per kerende zeepost als deserteur naar Europa terugkeerde… Onze goede Harderwijker zuster-dichtersgroep ‘’Apollo’s Kamer’’ hield meerdere Rimbaud- voordrachten, waaraan ook ondergetekende meewerkte. Daaruit een tweetal gedichten: oplettende lezers hebben gelijk wanneer zij deel 2 uit de cyclus missen, dat slaat namelijk vooral op de stad Harderwijk zelf en dient met muziek te worden uitgevoerd. Het eerste deel is een schets van Rimbaud zijn veelvormig leven; deel 3 is een vrije bewerking van zijn Au Cabaret-Vert, naar aanleiding van mijn eigen Zeeuwse omzwervingen in de hete augustusmaand van het jaar 2012!

E ci trascina indietro, al fresco,
all’arso tempo, al tempo vano,
assordato dalle vane feste
dell’umile gente, al tempo umano,
al tempo allegramente terrestre,
al tempo che vive il suo incanto,
con le rodini, nel solatio
paese padano, nel fianco
dei freschi colli, e chi di schianto
voi volgete, rondini, all’addio.

Pier Paolo Pasolini (1922 – 1975)
(uit “L’umile Italia”, 1954)

En het sleurt ons achterwaarts, in de vroegte,
in de verkoolde, in de ijdele tijd,
verdoofd met de ijdele feesten van
de nederige mens in mensentijd,
in de tijd van het opgewekt aardse,
in de tijd levend met zijn zonnelied,
met zijn zwaluwen, boven betoverde
Po-vlakte, boven frisgroene flanken
van hellingen, die jullie, zwaluwen,
toekeert loom jullie vleugelslag, ten afscheid.

(vertaald uit het Italiaans door P.B. Kempe,
uit “Nederig Italië”)

Hun diepe slaap

Toen ik gisteren in slaap viel
In de nacht van Sint-Jan
Was er vreugde en leven
Geknal van bommetjes Bengaals vuur
Gepraat gezang en gelach
Rondom de laaiende vuren.

Midden in de nacht werd ik wakker
Ik hoorde nergens meer praten of lachen
Alleen ballonnen
Dwaalden voorbij
In diepe stilte
Alleen zo af en toe
Het lawaai van een tram
Spietste de stilte
Als een tunnel.
Waar waren degenen die zojuist nog
Dansten
Zongen
En lachten
Rondom de laaiende vuren?

– Zij allen sliepen
Zij allen lagen
Sliepen
Hun diepe slaap.

Toen ik zes jaar oud was
Kon ik niet zien het slot aan het feest van Sint-Jan
Omdat ik in slaap viel
Vandaag hoor ik nergens meer praten die tijd
Mijn grootmoeder
Mijn grootvader
Totônio Rodrigues
Tomásia
Rosa
Waar zijn zij allemaal?

– Zij allen slapen
Zij allen liggen
Slapen
Hun diepe slaap.

Manuel Bandeira

Vertaling:
P.B. Kempe
(uit het Braziliaans-Portugees)

Profundamente

Quando ontem adormeci
Na noite de São Jão
Havia alegria e rumor
Estrondos de bombas luzes de Bengala
Vozes cantigas e risos
Ao pé das fogueiras acesas.

No meio da noite despertei
Não ouvi mais vozes nem risos
Apenas balões
Passavam errantes
Silenciosamente
Apenas de vez em quando
O ruído de um bonde
Cortava o silêncio
Como un túnel.
Onde estavam os que há pouco
Dançavam
Cantavam
E riam
Ao pé das fogueiras acesas?

– Estavam todos dormindo
Estavam todos deitados
Dormindo
Profundamente.

Quando eu tinha seis anos
Não pude ver o fim da festa de São Jão
Porque adormeci
Hoje não ouço mais as vozes daquêle tempo
Minha avó
Meu avó
Totônio Rodrigues
Tomásia
Rosa
Onde estão todos êles?

– Estão todos dormindo
Estão todos deitados
Dormindo
Profundamente.

Manuel Bandeira (1886 -1968)