Pieter Bas Kempe

REPOS DANS LE MALHEUR

Le Malheur, mon grand laboureur,
Le Malheur, assis-toi,
Repose-toi,
Reposons-nous un peu, toi et moi,
Repose,
Tu me trouves, tu m’ éprouves, tu me le prouves,
Je suis ta ruine,
Mon grand théâtre, mon havre, mon âtre,
Ma cave d’or,
Mon avenir, ma vraie mère, mon horizon,
Dans ta lumière, dans ton empleur, dans ton horreur,
Je m’abandonne.

RUST IN HET ONGELUK
Ongeluk, mijn grote landman,
Ongeluk, ga zitten en
Rust uit,
Wij rusten samen, jij en ik,
In rust,
Jij vindt mij, jij bindt mij, jij doorgrondt mij,
Ik ben jouw ruïne,
Mijn groot theater, mijn haven, mijn haard,
Mijn goudschat,
Mijn toekomst, mijn oudste moeder, mijn horizon,
In jouw luister, in jouw ruimte, in jouw duister,
Laat ik mij los.

Henri Michaux (1899 – 1984)
(vertaald uit het Frans door Pieter Bas Kempe. januari 2024

O vergeweldiging der soldeniers
die scheluwte bekampen in den lande
benoorden Lille, Sint-Huibrechts, Verviers –
met aan het zwerk de kreitsen des aasgiers
blijft glonder u, geween en krijzeltanden!

De toestand in de Noordelijke Nederlanden, belicht de dato dinsdag 19 december 2023 door P. B. Kempe, in een Quintijn op de wijze van Guido Gezelle.

MOŘE
Když se nám stýská po dálce
říkáme si:
VLNY MOŘE VLNY MOŘE
svou lásku vyznáváme v růžové obálce
a líbajíce potom měkké dívčí vlasy
říkáme si:
VLNY VLASŮ VLNY VLASŮ
Dívky se koupaly v moři v nědeli dopoledne
moře a jejich vlasy v jedinou vlnu splynou
námořník rozhlížejíci se v lodním koši
začne se zpívati jinou
Vlny a vlny se vlní a vlní
a na pobřeži zhynou

DE ZEE
Wekt verte ons verlangen op
dan zeggen wij:
ZEE VAN GOLVEN ZEE VAN GOLVEN
wij sluiten onze liefde in roze envelop
nadien zoenen wij zeeën zachte meisjeslokken
dan zeggen wij:
ZEE VAN LOKKEN ZEE VAN LOKKEN
De meisjes gaan uit baden in zee op zondagmorgen
de zee smelt met hun lokken tot één golf te saam
op de uitkijk in de top van de mast vangt de zeeman
zijn eigen lied te zingen aan
De golven de golven zij golven zij golven
tot hun op de kusten slaan

Jaroslav Seifert (1901-1986), uit de reeks Na vlnách TSF (1925) / Op de golven
van TSF; de afkorting staat voor ‘Télégraphie Sans Fil / Draadloze telegrafie’

vertaald uit het Tsjechisch door P.B. Kempe, augustus 2023

Verwaterde omgeving. Licht is niet wel alhier,
De planten krijgen langzaam de vormen der vissen.
En ik, wankel starend in spiegels der magiërs,
Denk de zee achter glas vol met visschiedenissen.

Welk nevelig treurspel, deze kubieke meter
Hoogbejaard element, restant der oceanen.
Groene slierten van sterf’lijkheid, zo oogt het water,
Verwarde slingerlijnen of zinloze banen.

Nevelstaarten vervloeien tot troebele vlinders,
Schimmen-bloemen, die hijgen…je beeft als ze groeien.
Je denkt: weg stromen ogenblikken klaterzilver,
Je denkt: o, droevig zal dit vissig voorjaar bloeien.

Je denkt lang en met liefde na. Jouw beide ogen,
Grijze verdronken ogen, weerspiegeld in ruiten,
Vervissen – en zij blikken profetisch en pogen
Met verblinde holten de treurzee op te zuigen.

Julian Tuwim
(vertaald uit het Pools door P.B. Kempe)

Akwarium

Dziedzina jest wodnista, Swiatlu tu niesjowo,
Rosliny sie leniwie przemieniaja w ryby.
I ja, chwiejny, wpatrzony, jak sie dziwy dwoja,
Myslami zarybilem ocean zza szybi.

Mgli sie teatr zalosny w tym szesciennym metrze
Morskich glebin, zywiolu na emeryturze.
Woda jest jak smiertelne, zielone powietrze,
Ludzace gra zalaman i plonnych wydluzen.

Wiona z mgielek wyciete podwodne motyle,
Ledwo-kwiaty, co dysza…az strach, ze urosna.
Myslisz: pluskaja srebrne, upletwione chwile,
Myslisz: o jakze smutno byc tu rybia wiosna.

Myslisz dlugo iczule. I wlasne twe oczy,
Szare oczy topielcze, za tafla odbite,
Rybieja – i wlepione spojrzeniem proroczym
Smune morze wciagaja w oslepla orbite.

Julian Tuwim (1894 – 1953)

Een pad bepeinsde, vroeg tot laat,
Het heil en het verderf,
Bepeinsde goed, bepeinsde kwaad
En wat daartussen staat,
Maar niets kwam uit de verf.

Of sneeuw ook sneeuwde, wind ook floot,
Hij merkte het net zo min
Als avondrood, als morgenrood,
Als bliksem die sloeg in,
Als gras tot aan zijn kin.

Zijn vrouw en kroost zo nu en dan,
Het tafereel passerend,
Werpen hun blik op pa en man:
Hoofdschuddend en gekscherend
Weerklinkt hun: “Toch frustrerend.’’

Ruim twintig jaar duurt dit nu voort:
Hij peinst daar p zijn gat,
Maar niemand kan op erewoord
Zeggen of deze pad
Spoort dan wel is ontspoord.

The philosophic taed

There was a tead hwa thocht sae lang
On sanctity and sin,
On hwat was richt, and hwat was wrang,
And hwat was in atween,
That he gat naething düne.

The wind micht blaw, the snaw micht snaw,
He didna mind a hweet,
Nor kent the derk’nin frae the daw,
The wulfire frae the weet,
Nor fuggage frae his feet,

His wife and waens frae time to time,
As they gaed by the cratur,
Wud haut to hae a gowk at him
And shak their pows, or natter:
“He’s no like growing better.’’

It maun be twenty year of mair
Sin thocht’s been a’ his trade:
And naebody can tell for shair
Hwether this unco taed
Is dead, or thinks he’s dead

William Soutar (1898 – 1943)

(vertaald uit het Schots door P.B. Kempe)