Pieter Bas Kempe

Gently I wave the visible world away,
Far off, I hear a roar, afar yet near,
Far off and strange, a voice is in my ear,
And is the voice my own? The words I say
Fall strangely, like a dream, across the day;
And the dim sunshine is a dream, How clear,
New as the world to lovers’ eyes, appear
The men and women passing on their way!

The world is very fair, the hours are all
Linkes in a dance of mere forgetfulness,
I am at peace with God and man. O glide,
Sands of the hour-glass that I count not, fall
Serenely: scarce I feel your soft caress,
Rocked on this dreamy and indifferent tide.

Arthur Symons (1865 – 1945)
Vertaling: P.B. Kempe

De absinth-drinker

Ik wuif de wereld voor mijn ogen weg.
Een razen hoor ik, ver maar toch nabij:
Een vreemde stem – en is die stem van mij? –
Klinkt in mijn oor; de woorden die ik zeg
Vallen als vreemde dromen door de dag;
Het vage zonlicht is een droom, Fraai zijn
De mannen, vrouwen die mij gaan voorbij,
Alsof het pril-verliefde oog hen zag!

Schoon is de wereld, Uren zonder tal
Gaan dansend samen in vergetelmaat,
Ik ben verzoend met God en mens, O val
Gerust, zandloperkorrels die ik niet
Meer tel: nog zacht word ik door u geraakt,
Op dit roerloze droomgetij gewiegd.

Zonder onze dichtersavond
is het dinsdag niets gedaan.
Ook de maand er aan voorafgaand
zou je liever overslaan
als je niet voor dinsdagavond
uit wat allemaal gebeurt,
uit die puinhoop, schurend, schavend
een paar regels schoonheid peurt.

Want de chaos is gigantisch,
’t leven briest en beukt, loopt storm,
alles wat er aan de hand is
schreeuwt luid om een vorm van vorm.
Je weet niet waar je moet beginnen,
wat je aan zo’n maandje hebt,
tot je met wat rake zinnen
stilte in de herrie schept.

om je vrienden voor te leggen
op de dinsdagavondnacht;
om met weinig veel te zeggen
heb ik dit aldus bedacht.
Zo wordt dinsdagavond dichtersavond
waar het heel de maand om gaat:
ons aan bier en dichtkunst lavend
vieren hoe het leven staat.

Dagen laten zich niet raden,
Ongewis hoe dingen gaan,
maar dinsdag maakt ons chocolade
van dit hachelijk bestaan.

Tekst en muziek Huub van de r Lubbe & Concordia, Februari 2004; bewerking P.B. Kempe, april 2022

(Vrije bewerking van ‘’Liefde voor muziek’’, © Raymond van het Groenewoud)

Over het verwerven van de eerste liefde deed ik
een hele tijd /
Zij kwam pas binnen menig lichtjaar na de pubertijd /
Maar dankzij twee ouders die hielden van zowel schrijven als lezen /
Leerde ik dat liefde niet hetzelfde is als louter kezen /
Zij brachten mij de liefde bij voor een voltallig koor /
Dat bestond uit dichters en de grootsten stonden van voor /
Het avontuur begon met Vondel, Huygens, Anna Bijns en Bredero /
Ging verder met Gezelle, Gorter, Claus en Paul van O. /
Beperkte zich geenszins tot de grenzen van het Nederlandse taalgebied /
Zocht ook naar het Brechtiaans of Baudelaireiaans verschiet /
Een kleine stap voor de mens was vervolgens het zelf
dichten of vertalen /
waardoor ik nu in heel Nederland en Vlaanderen mag verhalen /

Van de liefde /
Van de liefde /
Van de liefde /
Van de liefde voor ’t gedicht !

Pieter Bas Kempe, mei 2022

Blau wird es in deinen Augen –
aber warum zittert all mein Herz
vor deinen Himmeln?
Nebel liegt auf meiner Wange
und mein Herz beugt sich zum Untergange .

Else Lasker-Schüler (1869 – 1945)

Mon amour à la robe de phare bleu,
Je baise la fièvre de ton visage
Où couche la lumière qui jouit en secret.
J’aime et je sanglote, je suis vivant
et c’est ton coeur cette Etoile du Matin
à la durée victorieuse qui rougt avant
de rompre le combat des Constallations.
Hors de toi, que ma chair devienne la voile
qui répugne au vent.

René Char (1907 – 1988)

Terwyl die nag mij inhaal
Ingedachte met my drankie op die stoep
Word seevoëls, eers wit teen blou,
Swart teen grys hemel.

Phil Du Plessis (1944 – 2011)

In jouw ogen

Blauw wordt het in jouw ogen –
maar waarom beeft heel mijn hart
voor jouw hemelen?
Er ligt nevel op mijn wang
en mijn hart buigt tot zijn ondergang.

Else Lasker – Schüler

Mijn lief met de japon in waakvlamblauw,
ik kus de koorts van jouw gezicht
waar slaapt het licht dat stil geniet..
Ik heb lief met een snik, ben in leven,
en ’t is jouw hart die Morgenster
van de blijvende zege dat bloost en dan
onderbreekt de strijd van de Hemellichamen.
Bij jou vandaan, mag mijn vlees worden het zeil
afkerig van wind.

René Char

Terwijl de nacht mij inhaalt,
in gedachten met mijn glas op de veranda,
worden zeevogels, eerst wit aan blauwe,
zwart aan grijze hemel.

Phil Du Plessis

Blauw is oud en jong als de wereld, vandaar drie gedichten uit verschillende windstreken
over deze kleur. En wel van:
Else Lasker – Schüler, geboren te Wuppertal-Elberfeld, naast dichter tevens grafisch kunstenaar, bevriend met heel wat groten uit de expressionistische Berlijnse artiestenwereld, vluchtte voor Hitler naar Jeruzalem en overleed aldaar;
René Char, uit de Vaucluse, aanvankelijk surrealist, later communist (ook, met een hoofdrol, in het Franse verzet), maar op de eerste plaats een groot autonoom en meest buiten de Parijse kringen verkerend kunstenaar;
Phil du Plessis, geboren in Oranje-Vrijstaat en overleden te Kaapstad, arts. dichter en ‘Voortrekker’ van de gehele Afrikaanse moderne poëzie.

Pieter Bas Kempe

Aus den Gärten komm’ ich zu euch, ihr Söhne des Berges!
Aus den Gärten, da lebt die Natur geduldig und häuslich,
Pflegend und wieder gepflegt mit dem fleissigen
                    Menschen zusammen.
Aber ihr, ihr Herrlichen! steht wie ein Volk
                    von Titanen
In der zahmeren Welt und gehört nur euch und dem Himmel,
Der euch nährt’ und erzog und der Erde, die euch geboren,
Keiner von euch ist noch in die Schule der Menschen
                    gegangen,
Und ihr drängt euch fröhlich und frei, aus der
                    kräftigen Wurzel,
Unter einander herauf und ergreift, wie der Adler
                    die Beute,
Mit gewaltigem Arme den Raum, und gegen die Wolken
Ist euch heiter und gross die sonnige Krone gerichtet.
Eine Welt is jeder von euch, wie die Sterne des Himmels
Lebt ihr, jeder ein Gott, in freiem Bunde zusammen,
Konnt’ ich die Knechtschaft nur erdulden, ich neidete
                    nimmer
Diesen Wald und schmiegte mich gern ans gesellige Leben,
Fesselte nur nicht mehr ans gesellige Leben
                    das Herz mich
Das von Liebe nicht lässt, wie gern würd’ ich
                    unter euch wohnen!

Friedrich Hölderlin

De eiken

Uit de tuinen kom ik tot u, gij zonen van bergen!
Uit de tuinen waar leeft de natuur geduldig en huis’lijk,
Koest’rend en zelve gekoesterd met nijvere mensen
                    te zamen.
Maar gij, gij Heerlijken!, staat als een volk van titanen
In de getemde wereld, behoort aan u zelf en de hemel,
Die u voedde en grootbracht, en d’aarde waaruit u geboren.
Geen van u begaf zich ooit in de school van de mensen,
Gij verdringt u vrolijk en vrij, uit de krachtige wortel,
Rijst omhoog en grijpt, als een adelaar doet met zijn prooi,
Met uw machtige armen de ruimte; en naar de wolken
Zijn, groot en opgewekt, al uw zonnige kronen gericht.
Ieder van u is een wereld, u leeft als de hemelse
Sterren, ieder een god, als vrije verbondenen samen.
Kon ik het knechtschap verdragen, ik zou dit woud
Nimmer benijden, graag lag ik aan het genoeglijke leven,
Bond aan ’t genoeglijke leven toch niet mijn hart zich,
Dat van de liefde niet laat, hoe graag zou ik
                    onder u wonen!

Vertaling:

P.B. Kempe