Niels Klinkenberg

Als (toekomstig) aandenken aan de
Kastanjeboom op de Nieuwe markt.

In het holst van de stad,
waar De Viking ooit zat,
liep ik snachts in mijn eentje te dwalen.
Ik leed daar zo zeer!
Nee, ik had het niet meer,
ik liep daar echt vreeslijk te balen.

Was het liefdesverdriet
omdat jij mij verliet
daarginds aan het eind van de Graven?
Of was het slechts dat
ik mij had bezat.
In de Soos had ik mij zitten laven.

Ik was daar slechts kort,
maar die fles witte port
viel verkeerd en in plaats van verwarmen
blokkeerde de boel.
ach ik bedoel
ik kreeg ernstige last van mijn darmen.

Hoe ik huilend hier kwam
-zo zat en zo lam-
ik zou het waarlijk niet weten,
ik doolde wat rond
zeeg neer op de grond
en voelde me ernstig bescheten.

Wat moest ik toch doen?
Kon toch met fatsoen
zo door buikpijn en lijden bevangen
mij niet op het plein
ter bestrijding van pijn
voor de gevel van Eicas verhangen?

Ik keek in mijn zak
op mijn dooie gemak
vond een sleutelkoord, van fel oranje,
ik keek om me heen
-met een hart als van steen-
en zag toen terstond die kastanje.

Dat moest echt zo zijn:
daar midden op ’t plein
stond hij fier tussen auto’s te wachten
tot iemand hardop
droomt van een strop
om zo zijn groot leed te verzachten.

“Kom hier!” sprak de boom
en als in een droom
liep ik stamwaards en wilde al rijken
naar takken zo dik
waar iemand als ik
straks verlost van mijn leed hang te prijken.

Ik pakte mijn koord
en -zoals dat hoort-
klom ik op een van de daken:
de auto staat daar
als bedoeld voor mij klaar
om zo bij de tak te geraken.

Het koord om de tak,
en ik hang…, maar daar brak
eerst de tak en toen ook het koordje.
Ik viel op de grond
en een bloedende wond
besmeurde mijn hemd en mijn boordje.

Ik deed ook niets goed:
en dat addergebroed
aan mijn borst moest nog maar wat blijven
want wat u toch weet:
een droevig poëet
koestert zijn leed en blijft schrijven!

Vrij naar De Zelfmoordenaar van Piet Paaltjens.
Niels Klinkenberg, februari 2024

L’Horizon flamboyant jette au travers des bois
Des lueurs ou se mêle un rouge de fournaise
Il fait nuit mais au loin comme un morceau de braise
Un village brûlé s’auréole parfois.
Un jeune de vingt ans, sentinelle française
Songe à son vieux logis quitté depuis des mois
Il soupire en glanant ses rêves d’autrefois
Comme on glane les morts quand le combat s’apaise…
Se tournant vers le ciel il y regarde encore
Le sillage éclatant d’un projectile qui fuse
Mais déjà tout s’éteint, plus de sillage d’or
Et le soldat soupçonne en son âme confuse
Qu’en plein essor, noyés dans l’ombre qui les suit,
Nos rêves quelquefois s’éteignent dans la nuit.

SONNET
De brandende horizon straalt door het woud
Met een kleur van een loeiende, gloeiende oven.
Het is nacht, maar het dorp staat in brand en daarboven
Een gloed als halo in veel vlammen ontvouwd.
Een Fransman van twintig, zo jong nog, een schildwacht,
Hij denkt aan zijn thuis waar hij lang niet kon komen.
Hij zucht van verdriet en verzamelt zijn dromen
Zoals, na de strijd, men gesneuvelden opbracht.
Omhoog, zag hij nog hoe de nacht openspleet,
Een brandende lichtende streep, een granaat.
Nu weer gedoofd als een dode komeet…
En verward als hij is vermoedt de soldaat:
Zo de duisternis ‘t licht van het spoor doet bederven,
Zo zal de nacht ook zijn dromen doen sterven.

(Dit gedicht, geschreven in 1917 of 1918, werd door Antoine de Saint-Exupéry aangeboden aan zijn grote vriend Charles Sallès (1900-1998), Lyonnais zoals hij, medestudent aan de Villa Saint-Jean in Fribourg, en wiens grootvaders huis niet ver van Saint-Maurice-de-Rémens lag.)

Niels Klinkenberg, december 2023

C’était un vieux pont chancelant
Sur les rives de ma rivière,
Il était tout couvert de lierre,
Et de jolis jeux de lumière
Embellissaient son bois branlant.

Il n’était pas splendide et beau
Mon joli petit pont rustique,
Il n’était pas bien artistique,
Mais quelque chose de mystique
Le faisait rayonner par l’eau.

Quelquefois un joli pinson
Venait se poser à son ombre,
Et des fauvettes en grand nombre
Venaient chanter sous son pénombre
En n’importe quelle saison.

Il devait avoir bien des ans
Ce joli pont aux reflets roses
Dont les douces teintes moroses
Faisaient songer à bien des choses
Tous les jours à tous les couchants.

Et j’aimai ce vieux pont branlant,
Je l’aimai d’un amour si tendre
Que toujours je voulais m’y rendre
Pour aller un instant m’étendre
À l’ombre de son bois dormant.

Un jour je fus bien malheureux,
J’étais venu vers ma rivière
Pour voir mon pont de lierre,
Et j’aperçus gisant à terre
De rares débris poussiéreux.

Et depuis on l’a rebâti
Mais ce n’est plus le pont que j’aime,
Ce ne sera jamais le même,
Et cherchant un débris suprême
J’ai pleuré mon ancien ami…

Souvenir d’un ami
Antoine de Saint-Exupéry

Mijn mooie brug

Het was een oude brug van hout.
Begroeid met woekerende planten
Verbond hij beide oeverkanten.
Een lichtspel speelde door zijn spanten,
schijnend op het hout, zo oud.

Hij was niet mooi, niet artistiek,
Mijn brugje over stromend water
Niet bijzonder, maar hij staat er.
Stralend op het water gaat er
Iets vanuit, ja haast mystiek.

Soms komt een merel daar wat doen;
Die rust dan in zijn schaduw, even,
En de mussen, soms wel zeven,
Zingen vrolijk, vol van leven,
‘t Kan niet schelen welk seizoen.

Hij moet zeer oud al zijn geweest,
Mijn mooie brug met roze tinten
En zijn donker bruine binten.
Hij deed me dromen al als kind en
Elke dag was het een feest

De zon daar te zien ondergaan.
Ik hield van hem: zijn oude planken,
En klimop begroeide flanken,
Kwetterende vogelklanken…
Ik lag naast hem, aangedaan.

Op een dag, – oh ongeluk –
Bij mijn rivier weer aangekomen
Werd mij de adem haast benomen:
Het brugje uit mijn kinderdromen
Lag in puin, mijn brug was stuk.

Ach, sindsdien is de brug herbouwd,
Maar ja, hij is niet meer de oude
Waarvan ik toen zoveel kon houden.
Puin slechts rest van mijn vertrouwde
Vriend. Sinds heb ik om mijn brug gerouwd…

Herinnering van een vriend.
Antoine van Saint-Exupéry

Niels Klinkenberg, januari 2023

De zwaan is gewond; zijn rode bloed lekt
Op de pracht van zijn wezen; zijn hals nog gestrekt
In zijn uiterste pogen al huiverend, bevend,
klampt hij zich vast aan de dagen, nog levend,
met trillende keel; heft zijn hals en -zacht- zingt
dan een lied dat devoot als van engelen klinkt.
Haast klinkt het menselijk: iemand in nood
In een uiterste pogen, naar’t einde, de dood!
Zijn zang klinkt zo zacht, maar ook lief, en weemoedig,
Zijn zang zakt omlaag, stijgt dan op, oh zo droevig.

Zijn oog is al troebel, zijn lichaam wordt zwakker,
Maar steeds zingt hij nog: in het lied van de stakker
Verlaat hij zijn leven, beweegt al maar stroever:
Verlaat zijn lief water; de grazige oever;
Zijn lelies die buigen in vlagen van wind;
Hun schoonheid verdwijnt uit zijn blik: hij wordt blind
En hij huilt dan, als winden die fluisterend huilen
en weet dat hij niet voor de dood meer kan schuilen;
Zijn ziel wordt verklankt in zijn prachtige zangen,
Hij droomt nog, en staart vol van hemels verlangen,
Zijn stem klinkt nog steeds, maar is nu minder luid

Het trilt nu nog zwak, als de dood hem omsluit:
Hij omarmt heel het dier; …
              en zo slaapt dan de zwaan,
De verzachtende slaap van de dood. Hij moest gaan
En terwijl zijn zo dromerig oog zich zacht sloot
Ligt hij neer in de wind in het gras naast de sloot.
De zwaan ligt daar dood in de waaiende winden,
Het rijzende zonlicht zal hem nooit meer verblinden.

Antoine de Saint-Exupéry.

Vertaling: Niels Klinkenberg

Gedichten van St Ex in het Frans uit Du Vent, du Sable et des étoiles. 1914 – 1920

MORT DU CYGNE

Le Cygne s’est blessé, son sang rouge colore
La splendeur de son être, il se redresse encore
Et d’un effort suprême en frémissant toujours
Se rattache à la vie ; et veut vivre ses jours.
Il soulève son cou ; de sa gorge qui tremble
Il chante mais d’un chant céleste, qui ressemble
Au chant d’un homme ; il a quelque chose d’humain
C’est son dernier effort ; c’est La mort, c’est la fin !
Il vibre triste et doux, mélancolique et grave,
Il s’abaisse très bas, remonte en chant suave.
Déjà son deuil se voile et son corps s’affaiblit
Mais il chante toujours et dans tout ce qu’il dit
Soulève un grand chagrin : parce qu’il abandonne
Ses eaux qu’il aime tant ; leur rive monotone ;
Ses nénuphars penchés sous le souffle du soir.
Contemplant ces beautés qu’il ne pourra plus voir
Il pleure doucement : comme la brise pleure
Il sait bien que sa vie est à sa dernière heure ;
Et son âme s’épanche en chants harmonieux
Tandis qu’il rêve encore en regardant les cieux.
Sa voix résonne encor, mais elle est bien moins forte.
Elle vibre affaiblie ; et la mort qui l’emporte
Se resserre et l’étreint…
           Et le cygne s’endort
Dans un sommeil très doux qu’on appelle la mort
Et quand son œil rêveur se ferma sur la terre
Un long frisson passa sur la brise légère.
Le cygne s’était tu dans un accent lointain.
Et là-bas le soleil penchait à son déclin.

Antoine de Saint-Exupéry
Souvenir d’un ami

‘t Wekelijks ritueel keert terug:
Het rondje pontje of soms brug.
De keuze – aldus uw verteller –
Hangt soms af van stappenteller
Tenzij – en dat is ongewis –
Het ding niet opgeladen is.
Dan, lopend met vertraagde pas
Eindigt op het zon-terras,
De goedbedoelde wandeltocht,
Met glazen bier of ander vocht.
Ach wandelaar, u kent dat wel:
Aan de IJssel, dat hotel
waar jij je plichten wil vergeten:
je anders zo sportief geweten
sussend met een vochtig mondje:
vandaag dan maar het varend pontje,
want waarom ander toch bewaard,
die pontjes-twintig-rittenkaart?
We moeten immers toch weer terug…
. . . .

Zondag weer een rondje brug!

Niels Klinkenberg