Neletta van Heuven

Geweten heeft mij altijd dwars gezeten
Als kind met koekjes stelen uit de doos
‘t Lozen van m’n boertjes en m’n scheten
Altijd was er wat met mijn geweten loos

Geweten heeft mij paal en perk gesteld
Als puber in de keuze van mijn vrijer
Van goeden huize, keurig, welgesteld
Maar mijn hartje werd van nozems blijer

Geweten heeft mij op ’t verkeerde been gezet
Want groots, meeslepend, wou ik liever leven
Doen wat wordt belet, zoenen wie is bezet
Zonder zwaar geweten kun je meer beleven

Er is dus iets met mijn geweten loos
Het knelt, frustreert, verlamt, verblindt
Het maakt mij depressief en wezenloos
‘t Ergste is dat men mij altijd aardig vindt

Mijn geweten werd dat roodborstje
Het dient zich altijd zomaar aan
Waan ik mij zonder schuld of schaamte
Juist dan tikt ie venijnig aan mijn raam

Neletta van Heuven

Elke zomervakantie ging ons gezin naar Terschelling
Het eiland waar mijn oma woonde in haar jeugd
Ik was net vier geworden dus ik mocht mee
Oma had pijpenkrullen in mijn haar gerold
Daar was het huisje bij de zee dat heette Bellatrix
De slaapkamer van mijn ouders was beneden
Daar was een kaptafel met spiegeldeurtjes
Mijn zus zei: kom we gaan kappertje spelen
Zij was de oudste dus zij mocht als eerste
De schaar deed … kretch … kretch … kretch
Mijn pijpenkrullen vielen zachtjes op de grond
We gingen helemaal op in ons heerlijke spel
Wel gek dat ik op een jongen begon te lijken
Toen er geen haar meer te zien was, mocht ik
Ik knipte eerst  een hele lange vlecht weg …kretch
Ineens was er het geluid van de deur die piepte
De open mond van mijn moeder, de harde gil
Ik zag mijn zus die naar het raam toe rende
Dat raam stond open, ik volgde haar meteen
Daar waren de duinen waarin we ons verstopten tot
Het donker werd, toen liepen we naar huis, huilend
Daar was de tafel met alleen nog kruimels erop
De schelle stem van mijn moeder:  naar bed jullie!
De volgende dag stond mijn oma daar in de hal
Oma heette ook Neletta, ik was haar petekind
Oma leek veel groter, veel dikker dan ze al was
“Dat kind neem ik zo niet mee!” schreeuwde ze
Haar boze voetstappen, de voordeur die sloeg
Ze wou mij aan haar Terschellinger familie showen
Dat wist ik niet, ik had alleen maar gespeeld
Daar waren de grote ogen van mijn moeder
Die mij nooit meer zouden loslaten
Van toen af wist ik, zou ik weten,
… heb ik geweten

Mijn geweten is dat roodborstje
Het dient zich altijd zomaar aan
Waan ik mij zonder schuld of schaamte
Juist dan tikt ze venijnig aan mijn raam

Neletta van Heuven

Ze zaten aan een tafel in ’t café
Ze keken strak en bozig naar elkaar
’t Boeide mij dus luisterde ik mee
Met haar tirade was zij geenszins klaar

En gisteravond dan? bevraagt zij zuur
Kantoor was donker, ben je mij nog trouw?
Hij zucht en herbeleeft zijn heerlijk avontuur
Peinst hoe zich te bevrijden van zijn vrouw

Die avond laat bewandel ik de IJsselbrug
De kadelichtjes klotsen op het water
Daar staat een man, ik zie hem op de rug
Gebukt, alsof hij kotste van een kater

Maar nee, hij hijst een koffer op de railing
Ik loop er langs, herken hem van ’t café
Een plons! Het water toont een ronde streling
Aan het einde van de brug …  daar start een BMW

Een vrouw, niet opgegeven als vermist
In koffer aangespoeld aan Worpse IJsselkant
Politie Deventer vermoedt: een liefdestwist
Liep na cafébezoek dramatisch uit de hand

je had hem toen
op dát moment
bij zijn lurven
willen pakken
hem de waarheid
moeten schreeuwen
maar je zweeg
en werd weer
die je was geweest
bevreesd

je had haar daar
met jóuw vent
jouw bed uit
willen trekken
haar nek om
moeten draaien
maar je verdween
en werd weer
die je was geweest
alleen

je had de man
op wie je was
al jaren lang
willen bekennen
moeten zéggen even
dat je dat was
want wie weet
ook hij misschien
maar je werd weer
die je was geweest
bedeesd

door niet te doen
steeds weer
werd je die je was gebleven
nog even en …
je bent hier niet geweest                                                           

Neletta van Heuven

Om alsmaar heen en weer te gaan

Ik ben de vloedlijn van de Zuiderzee
Op één lijn te blijven valt mij echt niet mee
Want golven golven te graag heen en weer
En beuken buitelend op  stranden neer
Gedragen zich als bosjes losgeslagen vee

Ik ben een kind, mijn ouders zijn gescheiden
In mijn laatste schooljaar niet meer te vermijden
Ik tors m’n tassen tussen Oss en Assen heen en weer
Ik hoop maar dat ik slaag, dan hoef ik dat niet meer
Dan komen zij maar, elk apart, naar mij, in Leiden

Ik ben de veerman op het IJsselmeer
Mijn bestaan bestaat uit heen en weer
Weer of geen weer, ik blijf maar varen
Varen brengt mijn ziel weer tot bedaren
Sinds het eindexamen … komt zij niet meer

Ik ben de klepel van een koekkoeksklok
Ik slinger heen en weer en zie niet om in wrok
Wel ben ik meer en meer tot jaloezie geneigd
Omdat die koekkoek altijd alle aandacht krijgt
Maar: als ik ga staken … blijft hij vanzelf op stok

Ik ben een tennisbal uit hele chique stal
Van Rafaël Nadal, die fanatieke kwal
Wij krijgen rake klappen, scheren heen en weer
Maar niet naar ons maar naar Nadal gaat alle eer
Mij dumpt hij, zodra ik die bal niet meer beval

Ik ben een echte machoman, ik hou van sjansen
Wat een armoe, enkel met één vrouwtje dansen
Van vrouw naar vrouw marcheer ik heen en weer
Trekt mijn echtgenote weer van leer, ik excuseer
Mij met: Entre vous tous mon coeur se balance

Ik was ooit jong en strak van lijf en leden
Ik vond vreugde in het heilig op en neer
Maar met die heupprothese in het heden
Wordt het hooguit nog een pover heen en weer
Ik stel mij daar van lieverlede mee tevreden

Want wij zijn hier in dit ondermaans bestaan
Om uiteindelijk geheel tevreden heen te gaan

Neletta.van Heuven