Nele Holsheimer

Op mijn tafel ligt een bril,
en een vergrootglas,
daarnaast staat een kopje koffie,
een flesje met oogdruppels en
er ligt een opengeslagen boek
over Chinese landschapspoëzie,
waarin ik lees,
dat voor de klassieke Chinezen
“poëzie verwoordt
wat de geest of het gemoed bezighoudt“, *
 „de buitenkant van een binnenkant“ is.  *
Straks is het kopje leeggedronken,
het flesje met druppels op de grond gerold
en het boek met het rode zijden leeslint
dichtgeslagen.
Het landschap heeft zich veranderd
en de waarheid is zoek.

Nele Holsheimer

* S.Marijnissen. Berg en water. trecht, 2012. Blz.18

De eerste kennismaking was in juli
negentienhonderdvierenzeventig.
Ik kende er niemand.
De hitte stond stil in kaarsrechte straten.
Huizen met puntdaken, gepleisterde gevels,
dichte vensters, rolluiken neergelaten.
Nergens bomen, nergens schaduw.
Aan de rand van het dorp een begraafplaats.
Ik zag een bomenlaan, eindelijk schaduw
en duwde de kinderwagen door het hek.
De graven waren kleine bloementuintjes..
Op een bank onder de bomen, naast
een stellage met kleurige gieters, zaten
oudere vrouwen, die me verbaasd bekeken.
Tussen twee ligusterheggen waren
kleine vierkante grafstenen in rijen,
allen met dezelfde datum en hetzelfde jaar.
Daar stond ik bijna dertig jaar na dato en zag
twee zwarte gaten in een gebarsten schedel.
Ik schoof de witte kinderwagen met
het kind in het felle witte zonlicht.
In een winkel voor pennen en papier
kocht ik een kleine geschiedenis van mijn dorp,
maar ik vond er niet in wat ik zocht.
Geen woord over de tijd der verschrikkingen.
De ouden zwegen of spraken wartaal, de kinderen vroegen niet,
maar de kinderen van de kinderen gingen zelf op onderzoek uit.
Ik vond hun vragen in mijn brievenbus.
Zij zochten foto’s en herinneringen en schreven hun boek.
Er was een synagoge geweest, maar werd omgebouwd tot woonhuis
Het dorp had een rangeerterrein voor goederentreinen.
Doelwit voor de wraakvogels met hun vernietigende vracht..
De kinderen hadden gespeeld, toen de sirenes weer eens huilden.
De ouden zwegen of spraken wartaal, de kinderen vroegen niet,
maar de kinderen van de kinderen lieten jaren later
namen en vermaningen in steen houwen en plantten  bomen.
Elk voorjaar vliegen de kraanvogels over. Zij zijn niet van hier.
In de elzen aan de oever van de rivier bouwt de wouw zijn nest
en is waakzaam.

Nele Holsheimer

Blauwe iris, tekening op papier,
en ingekleurd met mijn verlangen,
had ik hem gebracht.
In de droge rivierbedding zat
een jongen met gekruiste benen
fluit te spelen.
We lieten platte stenen
in springende bogen
over het resterende water scheren.
Die nacht nam hij me mee,
trok me langs stenige paden
naar boven, de berg op,
waar ik met mijn handen
de sterren kon aanraken.
De blauwe bloem is nu, denk ik,
na zoveel jaren, vergeten of verscheurd.

Nele Holsheimer

(over Godfried Bomans en zijn
onvolprezen Erik, dat zij samen mogen
verwijlen in het lieflijke landje „Wollewei“)

Een zandloopkever
uit het Haarlemse land,
dreef, met succes, de spot
met kennis en verstand,
op een onbewoond eiland gestrand
werd hij door eenzaamheid overmand.

Elk jaar opnieuw
een kwelling voor scholieren,
zo, meent men, krijgen zij een kijk
op het fabelachtige insektenrijk
en leren omgaan  met de
dubbelzinnige taal der satire,
die, bij onbegrip,
oorzaak van oorlog is,
als bij de mieren.
twee vliegen in een literaire klap.
Een antropomorfe grap?

Nele Holsheimer

In het rijk der elf steden
is het volk tevreden, wanneer
een strenge vorst regeert.

Doch
mocht de vorst een vorstje zijn,
heel licht en wit bevroren,
het ijs te dun, een korstje slechts,
waarop een ruige vorst
een scheve schaats gaat rijden,

breekt koorts uit in het hele land,
regering  roept een crisis uit,
er wordt vergaderd en gemeten,
de nok van ’t dak vergeten,
niets gerepareerd,

de strenge vorst,
in engelenkoor
aanbeden en vereerd.

Nele Holsheimer