Michiel van Hunenstijn

Zat je daar aan dat tuintafeltje, de boel retro opgetuigd met typemachine,
het lint versleten, het was alsof je cicades temde. ’s Ochtends ging je werken,
en ’s avonds zocht je naar ontspanning, die zomer had je die discipline.
Het pak vers din A4 papier verschoof van links naar rechts.
Je rug was gekromd, je schouders hoog, je leek altijd boos.
Je wenkbrauwen gefronst, je ogen steeds donkerder,
en je sprak niet meer, je hamerde de toetsen, je schreef jezelf
de volwassenheid in. Je dacht aan je verzameling superhelden.
Je had ze bij het vuilnis gezet. Daar stonden ze nu gegeneerd
te wachten op het gekraak dat naderde. En ze hadden zoveel
meegemaakt, ze hadden nachten onderin de regenton doorgebracht.
Ze hadden bij je bed gewaakt, de kaken van de hond overleefd.
Superhelden hebben geen vader of moeder die op hen let.
Wel hebben ze een tenminste-houdbaar-tot-datum.
Superhelden, het zijn net mensen, bedacht je je,
en je keel werd dik. Je had hier geen gps-signaal,
je kon hier niks kwijt, je had hier geen bereik,
geen verbinding. Vreemd genoeg hoorde je
je vader praten. Je zag de barsten in het tafelblad.

’s Ochtends telde je de waterdruppels in de Oost-Indische kers,
Je zocht je sok. Waar was je andere schoen? Waar was je tekst?
Hier was je nog niet eerder geweest. Je knapte het zelf maar op.
Je had geen ideaal om na te streven, je werd die je was gebleven.
Gister sprak je dat meisje van die fotoshoot
ze stond in haar ondergoed aan de waterkant.
Haar houding was klassiek, gekopieerd uit het verleden.
En die gast, waaromheen je vanochtend stofzuigde,
hij sliep z’n drankroes uit, godweet waar hij van droomde.

Michiel van Hunenstijn

Steeds weer schrik ik stikkend wakker: Bert valt in de sloot,
en ik heb het gedaan, voor Bert dreigt de verdrinkingsdood.
Ik heb Bert van die brug geduwd, het ging zo opeens:
hij stond op die leuning, en ik gaf toen plots die duw.
Zwemmen kon hij niet, misschien was de sloot niet diep.

Ik was vijf en Bert waarschijnlijk ook, ook al leek hij wel erg groot,
daar staand op de leuning van die brug. Ik wist van geen gevolg,
ik gaf een duw, een por, en Bert viel naar beneden.
En ik liep door. Vissers haalden hem uit het water.
Hij was erg nat, erg rood en hij huilde hard naar huis.

Nooit heb ik iets over Bert en over die duw gehoord.
Er volgde geen straf, geen boze ouders op de stoep.
En nooit is er over gepraat, is het wel echt gebeurd?
Toch schrik ik steeds naar adem happend wakker;
Bert, die brug, die duw op die weg van school naar huis,
dat was ik. Maar wat me het meest de adem beneemt,
is het eeuwige zwijgen: niemand die het weet.

En elke ochtend schrik ik weer stikkend wakker:
Bert komt dan weer naar boven en niemand weet
dat ik eeuwig Bertje bijna verdronken heb.

Michiel van Hunenstijn

Arthur, je brieven vond ik terug op zolder,
Ach Arthur, das is lang geleden, ik was net zeventien.
Die je lang geleden schreef. Ik heb ze bewaard. Ik ben Catherine.
Ach, Arthur, wat was ik verliefd, maar er was mijn vader.
Er waren vermaningen, Arthur, bedenk, je had geen opleiding,
Geen betrekking, op de boulevard rookte je je pijpje ondersteboven.
De burgers spraken er schande van. Je had dat bravoure.
Je had je gedichten, aute, aute beau, je schokte de burgerij.
Arthur, ik beminde je innig, maar je sprak van Afrika,
Je sprak van zee en horizon. In je ogen glinsterde goud,
Maar ik wilde vastigheid,
Geen dronken boot met grillige vaart.
Ik vond het, bakvis dat ik was, heerlijk, om met mijn hoofd
Op jouw schouder te kijken naar de rivier.
En jij maar praten, en jij maar ratelen.
Een zoete woordenstrooom

Michiel van Hunenstijn

Middelbaar, been in het graf
levenseinde ingezet.
Verval, bederf, klaar en sterf.
Na de finish de grafkrans.
Je drinkt er alvast een op;
gezondheid, proost je zachtjes.
Het bezinksel in het glas,
het residu van het bestaan,
je zag prompt een metafoor,
klonterde en was troebel.
Jeugdbeelden drongen zich op,
jullie deden haasje over,
en rolden door het gras.
Plots was je alweer puber,
en kon je haar niet krijgen,
en het meisje dat jou wou,
dat wilde jij nou weer niet.
Voila, je eerste gedicht.
Je gedachten dwalen af,
je pakt je pen en papier,
en schrijft de rede van je graf;
leven dood en eeuwigheid,
pom pom pom en dan de spijt.
Middelbaar, been in het graf
levenseinde ingezet.

Michiel van Hunenstijn

Mijn ziel is een zwarte dode vogel.
Een braadkip in een zak, dichtgeknoopt,
ijskoud in het vriesvak gestopt,
met de vleugels, hopla, los erbij.

Mijn ziel is hol en bloedeloos, HACCP bewaard.
Er klopt geen hart in die vaalrose necrose,
En er zijn geen veren om mee te vliegen,
Ik kom niet van de grond, ik krijg geen lucht.

Mijn ziel dreunt mee op een loodzware bas,
die pompt hier ’s nachts. Blind en doof,
dat is nog wat ik voel, ik ben verdoofd.
Er wordt hier niet gezongen, ik ben stom.

Mijn zwarte vlerken droomden van het zwerk,
maar werden tot prooi der maden in de groeve.
Mijn ziel is geblakerd, er is geen tijd en er is
geen licht. Er is enkel zwart hier in het abattoir.

Michiel van Hunenstijn