Louise Broekhuysen

Een stapel dunne blaadjes,
aan twee zijden dicht
beschreven. Ook de kantlijnen,
de hoeken: voor wie niet weet
hoe lang nog onder de rode zon
wapperend aan de vlaggestok
is elke snipper kostbaar.

Wat schrijven ze, de vrouwen
als hun kinderen – honger, hitte –
eindelijk in slaap gevallen?
Denk je je terug naar vroeger,
zet je het nu van slagen, vuil
en dood in woorden om?
Zoek je taal voor “later”,
heel voorzichtig, om de goden
niet bij voorbaat te mishagen?

“Tien eieren”, ontcijfer ik,
“een half pond boter” “suiker”,
“room” – ik lees van uitgebreide
schotels, wildbraad, sauzen,
fijne groenten; vruchtentaarten,
nagerechten smeltend op de tong.
Zie de vrouwen op hun britsen,
hoor hun stemmen als in koortsdroom
honderden recepten delen.
Hoe de stompjes potlood krassen,
hoe de punten breken, breken
in de hunker naar een woord
dat de honger stilt.

Louise Broekhuysen, augustus 2023

Vlekkenloze gangen.
Hoeken. Deuren. Hoe
kwam hij hier, in deze
gang waar de leuning
halverwege ophoudt, waar
moet zijn hand nu blijven,
straks raakt hij hem nog
kwijt en waar was zijn stem
ook alweer, die zat toch
van binnen en niet van
buiten; waarom vallen
de woorden niet samen
met wat hij denkt, splitst
zijn denken zich halverwege
in een gang links en een gang
rechts, ergens moet een
middendoor zijn, een gang
die uitkomt naar waar
hij op weg is, waar hij
aan zou komen als iemand
hem het woord zou voorzeggen,
influisteren, iemand
die hem achterop kwam

uit een andere gang.

Louise Broekhuysen, juli 2023

Niet zozeer het zien
als wel het voelen
van het oude mes.
De boterham, het moeizaam
smeren, snijden, tweemaal
twee keer overdwars –
iets gebeurt er tussen hand
en vroeger, zo hoort een mes
te zijn, hoor je de wereld
aan te snijden, te verorberen,
in stukken zelf beboterd,
met de honing het dikste
in het midden.

Louise Broekhuysen, juni 2023

Hij heeft drie weken
zitten schreeuwen op mijn stoep
alsof, hun zorg ten spijt,
zijn ouders hem van meet
af aan hadden tekortgedaan.

Van hulpeloos gefladder
gegroeid naar vleugelslag
voert hij gemoedelijk strijd
om schoorstenen en dakrand;
stoeit hij in de platanen
met jongens van zijn groep.

Niet alles slijt, ook niet
bij kauwen. Uit kruinen
vol gekwetter herken ik
rond het etensuur de nooit
te stillen honger
in zijn verongelijkte roep.

Louise Broekhuysen, april 2023

1.

Teveel dode dieren zoeken een plaats
in je hoofd.

Soms lijk je nog even langs te komen,
fiets aan de pui, je gezicht
– ben je thuis? – achter glas.

Alsof we ons hebben vergist;

een streep licht tussen
schors en pijnappel
in het bos in de herfst in de mist.

2.

Nog voor hij had aangeklopt
liet je hem binnen.

Ik gunde je grootser. Een bos tulpen
sterft brutaal en onverschillig;
tafel vlamt rood van het blad,
stelen met hun zwarte pitten dwars
door het plafond richting hemel, hel –

Hoewel. In de achtertuin
– naast de sering –
valt het skelet van je stoel
in onderdelen uit elkaar;
vrijplaats voor de tor,
voor de slak. Voor de spin.

3.

In San Diego vliegen pelikanen,
heeft hij gezegd bij het pakken
van zijn koffer.

Terwijl hij op het strand staat en ziet
hoe hun vleugels klimmen en dalen
als ellebogen schuurt het zout
zachtjes de vliezen van zijn rug,
veegt het de windsels uit zijn kop,
laat hij zijn dode zuster binnen.

Boven in zijn hotelkamer
schrijft hij een ansichtkaart.

“Heelhuids aangekomen”.

Louise Broekhuysen