Louise Broekhuysen

(een fabel)

Een retriever, wollig, blond,
zag zich niet als doorsnee-hond.
“Mijn karakter is gelaagd,
dit maakte mij extreem geslaagd.
Ik ben gespeend van elk venijn,
knuffelbaar voor groot en klein.
Ook zal niemand mij zien bijten;
iets verwonden zou mij spijten.”
Denkt dus beschaafd genoeg te zijn
voor vriendschap met een zacht konijn.
Samen dollen, samen rennen
en elkaar onschuldig jennen –
totdat, tijdens “vachtje happen”
Onschuld besluit op te stappen:
zij tipt daartoe een herdershond,
wijst hem de weg via de grond.
De retriever wordt klaarwakker:
leidt het spoor niet naar zijn makker?
Een switch van hoog naar laag allooi
en Langoor transformeert tot prooi:
Blondje werpt zich op het beest
dat er met één knauw is geweest.
Wat begon met blij gemoed
eindigt in een bek vol bloed.


Moraal:
Wie zelf in zijn vernis gelooft
wordt ooit van hogerhand beroofd;
herovert het instinct zijn plek,
kraak je je beste vriend de nek.

Louise Broekhuysen, september 2021

Opluchting, heeft hij gezien: reizigers
net voor donker binnen de poorten;
kooplui, ondanks noodweer op tijd
de markt bereikt; vrouwen struikelend
over hun rokken naar de veiligheid
achter de muren.

Vrees heeft hij gezien: krijgslieden,
jong nog, ten aanval opgehitst.
Om de pijlen uit de schietgaten,
de keien, het stromen van kokend
pek langs de kantelen.

Overmoed zag hij: veldheren
op gepluimde paarden,
de blik gericht op overwinning:
een rijke stad als deze de roos
op hun blazoen – nog vóór
de avond vallen zou.

Weersta de verleiding, je hand
te leggen op zijn stenen, gegroefd
als gezichten van oude vissers.
Troggel hem geen verhalen af.
Laat hem met rust: verzadigd van
verleden heeft hij voor jouw heden
geen ruimte meer.

Louise Broekhuysen, augustus 2021

Weersta de verleiding, je hand
te leggen op zijn stenen, gegroefd
als gezichten van oude vissers.
Troggel hem geen verhalen af.
Laat hem met rust: verzadigd van
verleden heeft hij voor jouw heden
geen ruimte meer.

Louise Broekhuysen, augustus 2021

Binnenkomen en weten
hier was ik ooit eerder,
iemand zal zeggen
daar ben je, ga zitten,
wij wonen toch in
hetzelfde verhaal.

Het ruikt er naar avond,
naar water op de dorstige
tuinen, papier verschuift
in de aangrenzende kamer,
de vuurtoren aan de rand
van het duin trekt lichtbanen
langs het balkon.

Mijn grazige weide: die kamer,
het vanzelfsprekend begroeten,
het licht uit de toren dat komt
en dat gaat, de opstijgende
geur van vochtige aarde.
Te weten dat het papier is
beschreven met een verhaal
voor mij van belang

en tot de cirkel weer rond is
in de aangrenzende
kamer bewaard.

Louise Broekhuysen, 2021

Eind van de winter. Kalenders
spreken van ontluiken maar ik loop
over dode aarde, geen fluiten
weerkaatst tussen de huizen,
bomen klagen verkrampt
de schuldige hemel aan.

“In Indië,” zegt mijn moeder,
“had je het nooit over het weer”,
schetst het blijvende décor van zon
uitgestort over de velden, huizen
omzoomd door metershoge planten;
laat zich weer bedwelmen
door het overdadig bloeien.

Je adem inhouden, omdat je
in februari al de eerste merel hoorde.
Het puntje van een crocus
in het ontdooiend gras.
Vanuit de trein vleugjes groen
over de takken zien draperen.

Het niet aan lente durven geloven –
zoveel mooier dan de zekerheid
van zon.

Louise Broekhuysen

Aan het laden...