Louise Broekhuysen

Tenslotte legt het virus
ook de straat het zwijgen op.
De eerste avond gaan we,
lacherig, tot de valreep mee:
mensen op een holletje, brommers
scheuren in de bocht, auto’s
bonken over drempels.
Dan zet – de stad heeft wortels
in voorbije eeuwen – het luiden in
van de poortersklok. Gewoonlijk
goed voor vleugjes nostalgie
worden we opgeschrikt
door ondertonen die verwijzen
naar tijden waarin rampen
dagelijkse kost, het vege lijf
niet meer dan waaiend gras.
De Gesel Gods uitgestrooid
over de daken zoals verbeeld
in prenten en in Bijbeltekst.

De laatste slag: het sluiten
van de poorten. Als katten
schieten we naar binnen;
weten ons ongewapend
in deze dodendans.

Louise Broekhuysen

Geen berg zonder kam
Geen kraak zonder ram
Geen boe zonder klam
Geen houder zonder stam
Geen rails zonder tram
Geen schap zonder gram
Geen been zonder ham
Geen Rotte(r) zonder dam
Geen Jazz zonder jam
Geen oor zonder lam
Geen steek zonder vlam
Geen Dichters zonder Café

Louise Broekhuysen

De kamer is zo stil, zo stil,
dat ik er bijna slapen wil.
De sparretakken aan de wand,
die geuren uit een sprookjesland.
De lamp hangt helemaal in ’t groen
met mooie rode tierelantijnen
en op de tafel het fluweel
van trossen blauwige rozijnen.
En bij de deurpost hangt een boog
van maretakken, nauwelijks droog
en vochtig van de regen.
De denneappels bij de haard
in puperen omhulsel,
ze liggen op een brede kaart
met glinsterend vergulsel;
de noten en amandelen,
het appelrood ertegen…
De kamer is zo stil, zo stil
dat ik er bijna slapen wil,
al heb ik het verzwegen.

(Helma Wolf-Catz, uit “Kris Kras Jan Plezier” 1956)

Kerstdag

Het stadje is zo stil, zo stil
dat je het liefste vluchten wil.
Geen sparrengroen hangt aan de kant
van de failliete winkelstand.
De lichtreclame moet het doen
met spaarlampen die blauwig schijnen
op schaars bezoek, soms één teveel,
dan sluit men haastig de gordijnen.
Geen klanten hangen aan de toog,
het is lock-down, ‘t café staat droog;
schenkt koffie in de regen.
Het gloeiend vuurtje in de haard
kan ons niet meer omhullen
en ook al kreeg je kaart na kaart,
hing je je boom vol prullen:
een zangverbod voor engelen
houdt Kerstgevoelens tegen.
Het stadje is zo stil, zo stil
dat ik het liefste vluchten wil
of nooit meer wil bewegen.

Louise Broekhuysen

Twee bomen. Zelfde soort.
De een kniediep in rottend
blad, november, taak volbracht,
de egel aan zijn voet al half
in winterslaap – de andere
trotseert de regen, trekt zich niets
aan van schrale wind; koestert
zijn septembergroen
totdat de nachtvorst hem
tot overgave dwingt.

Zij zijn mijn herfst: het ik
dat meebeweegt, zich neerlegt
bij verval en daarin zelfs
een egel iets kan bieden
en dat wat bollen plant,
een gedicht begint, een boek
koopt dat als “veelbelovend”
wordt bestempeld
en zich niets wijs laat maken
over sterfelijkheid.

Louise Broekhuysen

Met schuine balken
bakent de zon het jaargetijde af.
Het gras geeft zich gewonnen
aan mozaïek van okergeel.
Takken ontdaan van zomerfranje
rekken zich behagelijk uit. Roeken
strijken neer, voeren gesprekken
zonder bijbedoeling.
Tussen de struiken geven spinnen
elkaar vers-geweven raadsels op.

Van overbodigheid doordrongen
trokken zich de mensen terug.
Er is nog niets kapotgegaan.
Dit is de eerste dag.

Louise Broekhuysen