Louise Broekhuysen

Ze lijken uit spelonken opgedoken:
de barse koppen boven vette buiken,
de spichtige gezichten met piekerige
haren en fletse ogen; pubermeisjes
met nu al uitgeholde schoonheid,
kinderen waakzaam loerend
boven hun suikerspin.

Kermis in de provincie:
eeuwenlange uitbuiting,
schaamteloze verachting
en generaties ondervoeding
afgedrukt in schonkige lijven,
kromme ruggen en verbeten
monden voor de schiettent.

In het schetterend lawaai
en het zinderende licht
zoeken ongestilde honger
en door geen emmers drank
te lessen dorst een uitweg
in gillend genot tussen
wentelend en draaiend blik.

Louise Broekhuysen

Aanmaak van jaarringen
is geen garantie voor ooghoogte:
jij voor mij een maat te groot,
ik blijvend schoolkind. Zeventien.

Nu sta je aan de overkant
van de koffiekamer. Je buigt je
naar een jonge vrouw (gevleid?
verrast?) en als bij bomen
glijdt het zomerlover van je af,
lijk ik mijn hand te leggen
op de bast van oude zijde,
geplooid rondom het broze hout
waarbinnen zich het stromende,
de kern, wist te bewaren.
Geroezemoes valt stil, muren
wijken of iemand ze zoëven
moeiteloos heeft omgegooid –

Is het oog betrouwbaar?
Misschien moet ik het houden
op verbeelding. Al valt het mij
steeds lichter te geloven
dat ik, aan de overkant
van die koffiekamer,
jou heb gezien.

Louise Broekhuysen, mei 2022

Zoals de banketbakker, befaamd
om zijn schuimgebak en roosjes
van marsepein naar de bruidstaart
van vijf verdiepingen,

zoals de ontwerper van het Deltaplan,
na jaren wonen in maquettes naar
springvloed, volle maan en een storm,
bulderend als die éne,

zoals de voetballer, van kleuter af
getraind in de dribbel, de voorzet,
de kopbal naar de uitwedstrijd,
het ultieme schot in het doel –

hunkert de wapenfabrikant
naar een stad, veroverd met zijn
precisiegeschut, naar rookwolken
als kronen boven de pleinen,

hunkert de generaal naar aanvalsgebied
onder zijn gezag; fluitende kogels
en het inslaan van mortiergranaten
als muziek in de oren,

hunkert de soldaat naar lichamen
met op de plek van de schietschijf
kloppende harten; of op rij
langs een greppel voor het schot
in de nek.

Louise Broekhuysen

Toen de stad was uitgebeend
en verstookt in de grimmigheid
van die laatste winter

toen de vlaggen eindelijk
konden uitgestoken

werden ze geplant. Met hun snelle
groei tekenden zij voor de zuurstof
waarin de kinderen van de vrede
zouden gedijen (het hoge ritselen
rond het grasveld bij het zwembad,
de zomermiddagen van luieren
en zwemmen met vriendinnen).

Ze zijn schaars geworden.
Ruimden het veld voor
anderssoortige behoeften.
Wat overleefde staat langs
het spoor, ingeklemd
tussen flats, aan de randen
van een autokerkhof.

Maar zelfs in de verdrukking
staan ze opgericht
als autonome munumenten.
Ze zijn niet voor of tegen.
Ze zijn van niemand en van iedereen.
Vrede, ritselen ze nog altijd.
Vrede.

Louise Broekhuysen, februari 2022

Naar hem te kijken.

Zijn universum zou ik nooit
kunnen kruisen maar hijzelf
paste altijd in mijn ogen.
Hoe hij aan tafel schoof,
zijn mes vasthield,
zijn boterham besmeerde.
Hoe hij de boeken
in zijn schooltas propte;
voor de deur stond
met zijn vrienden, wegreed
op zijn eerstverdiende scooter.

Hoe hij zijn eigen huis,
zijn eigen vrouw,
zijn eigen kinderen.
Hoe hij ouder, krommer,
langzamer en op het laatst.
Men zei hij is het al
niet meer maar ik zag
die ik altijd had gezien
en tenslotte samenviel
met alles wat ik aan hem
in mijn ogen opgeslagen had.

Louise Broekhuysen