Louise Broekhuysen

Nazomer. De klimop pakt uit
met stuifmeelbollen. Het zoemen
van de bijen – hoog, laag,
met aanzwellend crescendo –
vult de tuin tot in de hoeken.
Vanuit het huis klinkt
de piano: de bodem onder
het kwintet van Brahms
wordt grondig gestudeerd.

Terwijl de zon de honing smelt
wordt het aandeel van de strijkers
door de bijen ingevuld. Zij kleuren
mee of tegen, in harmonie of met
perfect geplaatste dissonanten.
Niets wringt of knarst bij deze musici;
in het beheersen van hun instrument
wordt geen toon gemorst.

Tijdens de finale onthouden zelfs
de mussen zich van commentaar,
lijkt de zon niet van zijn plaats
te komen om de honing optimaal
te laten vloeien en banen zich
de slotakkorden ongehinderd
een weg tot in het blauw.

Louise Broekhuysen, januari 2023

Een bovenbaas te ’s Gravenhage
zocht een uitweg voor lastige vragen.
’t Rapport van zijn ijver
verzonk in de vijver:
hij blijft aan tot in lengte van dagen.

Een invloedrijk man in Koekange
vond het chill, vrouw en dochter te stangen.
Hun koelbloedig verzet
trof hij aan in zijn bed
in de vorm van twee giftige slangen.

Een oud-onderwijzer te Empe
zat ’s avonds al dichtend te slempen.
Maar elk vers ging teloor –
want geen luisterend oor
om zijn dorst naar erkenning te dempen.

De man van een schrijfster in Tonden
dacht tijdens haar dinsdagse stonden:
“moet ik niet es mee
naar dat Dichterscafé?
Wie weet is het één poel van zonden!”

Louise Broekhuysen, december 2022

Er waren ouders, juffen,
leraren en bazen; vrouwen
een permanentje, de mannen
vers geknipt van de barbier.
Zij waren, en ik streefde. Ooit
zou ook ik zijn: door niets
af te leiden richt de naald
van een bascule zich
op zijn middelpunt.

Wie stak halverwege
zijn hand uit naar de schalen,
rommelde met gewichten,
verwisselde de polen,
haalde seinpalen om,
bestrooide de grond met
kopspijkers; maakte mij
tot iemand die opzij schiet
voor groepjes kuierende
pubers met – vanuit het natte
gras – bedremmelde excuses
voor wat ik aan wereld
nog besla?

Louise Broekhuysen, oktober 2022

Zij spreekt berustend over
ouder worden. Het past
bij haar verschijning: kleren,
bril, het lukraak opgebonden
haar, de kalmte in haar stem
en haar gedichten.

Soepel gaat zij over
tot het schetsen van het einde;
ziet het als verdwijnen
in een zee tot zij het water
en het water haar
zal hebben opgenomen.
Het heden laten sturen
door het slotaccoord –
ik hoor het met een zekere
afstand aan. Totdat ik reken.
Schrik. Zij is mij nauwelijks
een paar jaar vóór. Wat
maakte dat ik tot vandaag
de spiegels heb ontweken?

Louise Broekhuysen

Ik waan mij in het land waar ik
nooit was. Filmfragmenten
laten zien hoe licht ze zich
bewogen, vader, moeder,
broertjes – een gratie ongekend
in het kille Nederland. Hollend
over hellingen, in uitgestrekte
tuinen met hun bloemengeuren
dwars door het celluloid.

Onder mijn parasol, koel
water binnen handbereik,
kantelen de beelden. Hoe
onder deze zon de mannen
werden afgevoerd, de vrouwen
urenlang in rijen op appèl.
Uitgeteerde kinderen
ten prooi aan tropenziekten.
Het – voor de hitte uit – haastige
begraven in onbestemde grond.

Eenmaal in het thuisland
bleef het sprankelend bewegen
hun herinneringen kleuren.
Pas met het eind in zicht
kreeg in koortsdroom
en doorwaakte nachten
het schroeien, branden
uit die verdrongen jaren
genadeloos de overhand.

Louise Broekhuysen, augustus 2022