Lies Prins

De appels rood en geurig
de smaak van almaar meer
van de boom der kennis
tot de uitgeputte aarde
nu ook de atmosfeer?

Ooit dacht ik engelen in de ruimte
cherubijnen, serafijnen
tronen met hun pauwenstaartenogen
Michael met vlammend zwaard
Lucifer in lichterlaaie

Nu weet ik ruimtevuil en ruimtepuin
raakt het sterrenstof verdoft
is God een donker punt geworden
beschaamd en bang verborgen
in een zwarter dan zwart zwart gat

Lies Prins, juli 2021

Mijn kinderbed, een rijmprent aan de wand,
veertien engelen om een roze ledikant:
“Des avonds als ik slapen ga
volgen mij veertien engelen na …..”

Twee dekten het beddekind, het was moe,
met een blauwwitte deken zorgzaam toe.
Twee stonden klaar met gouden bellen
om het ’s ochtends wakker te schellen.

Twee wezen omhoog met hun engelenhand,
op naar het hemelse vaderland.
Alle veertien omringden ze het kind,
twee aan twee, maar eensgezind …..

…… om het te tillen met bed en al ….?
Nee, zei mijn vader, ben je mal,
morgen word je hier weer wakker,
haal jij dan een half tarwe bij de bakker?

Lies Prins, juli 2021

tussen het dorre gras
en rommelige takken
verbergt zich in pril geel
klein hoefblad

niet uit te roeien kruipt
uit diepgekarteld blad
steels de ronde knop
van de paardebloem

nog even en hij juicht
in de verlaten weiden
met zijn woekerend vele
overstelpend gele

Lies Prins