Lies Prins

Ik geniet van ruim en vrij
op het pad langs de rivier.
De ganzen hebben me doorgelaten,
ik moest er wel even om vragen.

Een groepje tegenliggert mij,
vier mensen met een kinderwagen.
De ruimte houdt niet over hier.
Ze hebben mij niet in de gaten?

Het vraagteken groeit in de lucht.
Op anderhalve meter stokt mijn pas,
niemand doet een stap opzij.
Onzichtbaar schuin ik door het gras.

Het water klotst tegen de keien,
een dijk van onverschilligheid.
Ik droom mij op een ganzenvlucht
naar zorgelozer tijden.

Lies Prins, oktober 2021

De schijnbare doelloosheid van
slingeren
langs de bochten van een rivier
die lijkt te stromen voor
het plezier

van steeds weer nieuwe bochten
in omtrekkende bewegingen
volgen wij meanders
verdwalen in
lemniscaten
staan stil
en laten
onze gedachten bezinken
tot ze de vrije loop herkrijgen
of verdrinken in de diepte

De rivier komt allicht bij haar doel
als wij haar nu eens
zonder omwegen volgden?

Lies Prins, oktober 2021

Niet de drang naar hoger honing
maar ’t verlangen naar een woning
maakte mij onrustig

In een tuin vol voorjaarsbloemen
met mijn vrienden aan het zoemen
voelde ik mij zo lustig

Toen overviel mij een gevoel
als zoeken naar een levensdoel
ik kan het niet benoemen

Mijn pootjes gingen aan het werk:
Vlakbij het geurig bloemenperk
stond een oude houten stoel

Er zat al een klein gaatje in,
dat was een makkelijk begin
Gelukkig zijn mijn pootjes sterk

ik boorde een hele lange gang
en voelde in mij steeds die drang:
dit werken gaf mijn leven zin

De gang was eindelijk lang genoeg
‘k had nog iets anders voor de boeg:
het werd nu tijd voor het behang

Ik kroop weer naar de buitenlucht
voor een kleine bloemenvlucht
lekker licht na al ’t gezwoeg

Bij terugkeer van ‘t bloemenpaadje
in mijn pootjes een groen blaadje
– neem me niet kwalijk dat ik zucht –

vond ik mijn ingang afgezet
het nestelen werd mij belet
Ik moet op zoek naar een nieuw gaatje

Al heb ik nu ook pech gehad
‘k ben niet te vangen voor één gat

Lies Prins, september 2021

De appels rood en geurig
de smaak van almaar meer
van de boom der kennis
tot de uitgeputte aarde
nu ook de atmosfeer?

Ooit dacht ik engelen in de ruimte
cherubijnen, serafijnen
tronen met hun pauwenstaartenogen
Michael met vlammend zwaard
Lucifer in lichterlaaie

Nu weet ik ruimtevuil en ruimtepuin
raakt het sterrenstof verdoft
is God een donker punt geworden
beschaamd en bang verborgen
in een zwarter dan zwart zwart gat

Lies Prins, juli 2021

Mijn kinderbed, een rijmprent aan de wand,
veertien engelen om een roze ledikant:
“Des avonds als ik slapen ga
volgen mij veertien engelen na …..”

Twee dekten het beddekind, het was moe,
met een blauwwitte deken zorgzaam toe.
Twee stonden klaar met gouden bellen
om het ’s ochtends wakker te schellen.

Twee wezen omhoog met hun engelenhand,
op naar het hemelse vaderland.
Alle veertien omringden ze het kind,
twee aan twee, maar eensgezind …..

…… om het te tillen met bed en al ….?
Nee, zei mijn vader, ben je mal,
morgen word je hier weer wakker,
haal jij dan een half tarwe bij de bakker?

Lies Prins, juli 2021