José Hattink

De eerste keer dat ik keek
in de poelen van je ogen
sloeg de hitte me om de oren
Weinig woorden had ik paraat
Ik smolt gelijk door

Je blik
Je zeperige geur
Je zoete hartje
Je katoentje met fortuinlijk elastiek
Je koekkruidige adem
Je golvende beweging
Je vleselijke verlangens
Diep druk
Jouw kabeljauwogen
hebben mij nooit bedrogen
Je wortels groeiden aan overzijde

Deventer is je naam
Je huist aan de rivier
Waar woelig IJsselwater de klanken meevoert
van het carillon mee naar de Zandpoort
Hier betaalde men eeuwen geleden
Katentol om de stad te betreden
De Stedenmaagd, parel boven de fontein
waakt op de Brink over ons Deventer burgers

Af toe knijpt ze een oogje toe

José Hattink-Blom

De pen staat geprikkeld stil op het vel
Op zoek naar verhaal en het onderwerp
De hersenen moeten dan ook op scherp
Het is dan ook zeker geen kinderspel
De vlekken verspreiden een winters tafereel
Als ultramarijn op design papier
Het is wel hard werken en geen vertier
We doen het niet half maar in zijn geheel
Ik ga naar de bron want daar gaat het om
En duik naar beneden de diepte in
Nog eventjes graven voordat ik kom
De woorden die spuiten opeens omhoog
De bron was in werking niet opgedroogd
En ik, die staarde en niet meer bewoog

José Hattink-Blom. maart 2019 (Sonnet)

de stad ontwaakt en maakt zich op voor de mensheid
de goden zijn ons goed gezind
honinggele stralen duwen wolken opzij
de stad stroomt vol met gespierde benen
voeten in bont gekleurde schoenen schieten
na het schot vooruit

drommen toeschouwers verdringen elkaar
een mensenstroom verplaatst zich
van brug naar brug
parels vocht druppelen over spierbundels
glimmende pezige benen in cadans
witte en zwarte zolen lichten ritmisch op
konen worden roder, kaken grimmiger opeengeklemd
de zuurstof wordt uit de lucht getrokken

tanden knarsen, kracht komt uit de tenen
de menigte joelt, schreeuwt, klapt en zingt
een drug voor die brug te ver, het zweet loopt
seconden tellen, stemmen uit de microfoon
de finish doemt op, glunderend, flitsend
of met de tong op de schoenen komen ze erover
een medaille

nee water

José Hattink-Blom

Weggepoetst wordt hun klamme zweet
van onzichtbaar moeten zijn
dichtgesnoerde kelen, hamerende harten
Mensen legden hun leven
in de waagschaal voor onze vrijheid
Opgepoetst wordt hun verzet
strijders, koeriers, het vrije woord werd vermoord

Bij zus achterop
houten fietsbanden in slakkengang
De schilderkoffer vol geheimen
Onderweg oefenen ze de nieuwe achternaam
soms 12 keer een andere
7 gulden 50 kopgeld kreeg de tipgever

voor het sterrenkind

Opgedroogd is het sop
de trap wordt ingeschoven
herinneringen blijven
het silhouet wisselt
zoals de mens verandert

José Hattink-Blom

de vader met wie ik zondags ging kuieren
in de avondschemer, ons vaste loopje

het trapje verwelkomt ons
op de bovenste trede lost alles op
de rivier vangt mijn blik en laat niet meer los

de IJssel, onze trouwe bondgenoot
grassen wuiven, hun voeten in soppige grond
onze voeten drukken de aarde aan
een dominee gaat voorbij

wij buigen af naar het dorp
waar schemer de huizen bedekt
waar poetsen hoog in het vaandel staat
want ‘in Wieje poetst ze de schoenen met spieje’

lamplicht duwt er de ruiten opzij
terwijl wij naar binnen gluren
maar niet ieder venster geeft – net als wij –
hier haar geheimen prijs

José Hattink-Blom