José Hattink

Er was eens een tweetal, genaamd Pauwla en Knorrit, die naar het feestje van de jarige Kermit gingen

Pauwla en Knorrit zijn collga,s ze gaan het bos in waar het geurt naar dennennaalden, een waterig zonnetje vergezelt hun
De twee dieren vallen op tussen al het groen, Pauwla heeft haar paarse muts vol veren opgezet en Knorrit heeft zijn parmantig rode dophoedje over zijn oren getrokken, met zijn kraaloogjes kan hij er net onderdoor kijken
Pauwla stapt parmantig door en Knorrit waggelt op zijn gemak er achteraan
Ze lopen eerst het dierenopvanghuis binnen, waar je de pennen driftig hoort tikken van breiende eekhoorns. In de cadeauwinkel kiezen ze een shawl met popoenen uit voor hun vriend Kermit
Het tweetal vervolgt hun tocht in het bos waar het begint te waaien
De takken van de bomen zwiepen heen en weer en kraken af en toe
Ze lopen verder, er lijkt geen einde aan de tocht te komen
Hun voeten worden zwaarder, hun magen leger en hun humeur daalt
De lucht heeft haar kleuren gemengd waardoor de schaduwen meebewegen
Pauwla en Knorrit schuiven voort, vermoeidheid zit hun op de hielen en hun magen beginnen nog meer te knorren. Geluiden uit het bos verspreiden zich
Knorrit gaat op zoek naar eten, hij graaft in de aarde en stuit op twee aardperen. Enthousiast graaft hij dieper en haalt de aardperen uit de grond
Trots als een pauw gaat hij ermee naar Pauwla toe die nuffig haar neus ophaalt en zelf op onderzoek uitgaat
Knorrit doet zich tegoed aan de aardperen en eet zijn buikje rond
Eindelijk komt Pauwla eraan slenteren zonder maal met een knorrig gezicht en met buikpijn. Ze zijn al te lang op pad geweest, er klopt iets niet, waar was het onderkomen van hun vriend ook al weer?
Ze begint zich toch een beetje ongemakkelijk te voelen, wat hoort ze toch in de verte en boven zich?

Er was eens een vogel die vloog net op dat moment boven hun hoofden
Het was meneer de Uil die de wandelaars had opgemerkt en net voor hun, zijn opwachting maakte
Pauwla vraagt de uil de weg naar hun vriend Kermit
De uil is bekend met de vijverplek van Kermit en vliegt vooruit
Knorrit met zijn gevulde buik en energie voor twee volgt de uil met parmantige tred, Pauwla waggelt er achteraan en kan met moeite meekomen, ze is uitgeput van honger en vermoeidheid

Er was eens een vijver waar een kikker resideerde. De uil vloog er naar toe en wachtte op de wandelaars
Op de vijver dreven waterballonnen en de jarige Kermit droeg een geel kroontje
Knorrit stapte vief op Kermit af, en feliciteerde hem
Even later kwam Pauwla al waggelend in beeld, ze kon geen stap meer verzetten

Er was eens een vogel die bijna omkwam van de honger en zo moe was dat ze struikelde en pardoes in de vijver viel
De redding was ter plekte, viste Pauwla uit de vijver en zette haar op de waterkant
Kermit kwam met een bordje kroost aanzetten en zette dat voor Pauwla neer
Ze at niet, nee, ze schrokte alles in een mum van tijd naar binnen
Haar manieren waren volledig in het water gevallen en ondertussen gluurde ze een ietsepietsie beschaamd naar Knorrit

Er was eens een bos waar feest gevierd werd door een kikker met een shawl vol pompoenen, een stijlvol varken en een pauw met berouw.

José Hattink, september 2021

“Honger maakt rauwe bonen zoet”

Hunkerend tel ik de uren
voor de ontmoeting met mijn dame
Vlinders fladderen in en om me heen
Ik voel me in de Zevende Hemel

Ik ga op pad, loop mezelf voorbij
er is geen minuut te verliezen
Struikelend kom ik tot stilstand
en veeg het zand van mijn knieën

mijn blik bevriest
mijn hart hapert
mijn droom valt
in duigen

ze lijkt anders
ze kleurt anders
het voelt anders

ik stap niet bij haar in
Diane, zij is het toch niet
Welke fee heeft mij dit ingefluisterd?

En ik, ik blijf trouw aan mijn lelijke eend

José Hattink, juli 2021

Lopen met jas en das op Drentse woestenij
worden we bijna van onze sokken geblazen
Middeleeuwse karrensporen leiden ons
naar het Balloërveld waar schapen
en geiten dreigend de wacht houden

Geen akker ligt er op z’n zondags bij
Schots en scheef staan bomen
treurig te wezen, de dreigende hemel
houdt nog net zijn klep
De das vinden we teug in het Bourtanges moor

Stenen flessen verheffen hun hals
de zure lucht komt de Paradijssluis nabij
De jakobsladder voor turf en schelpen
hangt er werkeloos bij
Metselspecie is in een ander jasje gehuld

Restanten van de kalkbranderij kregen
een monumentaal Meppels leven
De ovens staan voor hete vuren
het behagen van de inwendige mens
gewassen van moeder aarde

Het land van Bartje zet alle zeilen bij, varen
op roerige wateren, lanterfanten op de hei
Vandaag, maar ook morgen

Drenthe, de kers op de taart moet blijven

José Hattink

De eerste keer dat ik keek
in de poelen van je ogen
sloeg de hitte me om de oren
Weinig woorden had ik paraat
Ik smolt gelijk door

Je blik
Je zeperige geur
Je zoete hartje
Je katoentje met fortuinlijk elastiek
Je koekkruidige adem
Je golvende beweging
Je vleselijke verlangens
Diep druk
Jouw kabeljauwogen
hebben mij nooit bedrogen
Je wortels groeiden aan overzijde

Deventer is je naam
Je huist aan de rivier
Waar woelig IJsselwater de klanken meevoert
van het carillon mee naar de Zandpoort
Hier betaalde men eeuwen geleden
Katentol om de stad te betreden
De Stedenmaagd, parel boven de fontein
waakt op de Brink over ons Deventer burgers

Af toe knijpt ze een oogje toe

José Hattink-Blom

De pen staat geprikkeld stil op het vel
Op zoek naar verhaal en het onderwerp
De hersenen moeten dan ook op scherp
Het is dan ook zeker geen kinderspel
De vlekken verspreiden een winters tafereel
Als ultramarijn op design papier
Het is wel hard werken en geen vertier
We doen het niet half maar in zijn geheel
Ik ga naar de bron want daar gaat het om
En duik naar beneden de diepte in
Nog eventjes graven voordat ik kom
De woorden die spuiten opeens omhoog
De bron was in werking niet opgedroogd
En ik, die staarde en niet meer bewoog

José Hattink-Blom. maart 2019 (Sonnet)

Aan het laden...