José Hattink

Ach, wat was ik piep
onder moeders vleugels
Ik wou de wijde wereld in
maar niet alleen
en wist niet hoe
Lang hoefde het niet te duren
op mijn geboortedag verscheen jij

Sprakeloos staarde ik
naar je glanzende vurige blik
De mond vol tanden
wangen die bloosden
en ogen op steeltjes
Vlinders bleven cirkelen
Ons eerste samenzijn

Met mijn hoofd in de wolken
en knikkende knieën zag ik alleen jou
Ik wilde weer samen met je gaan
mijn wereld groter maken
Je gerief omarmde me
Soepel was je gang
Een gazelle met vleugels
we vlogen mijlenver

De afstand werd groter
De glans verliet je rode blik
Een spaak stak in het wiel
En ik, ik kon niet meer vliegen
Je paste me niet meer
De tijd liet haar sporen na
Het piepen ging over in kraken
Je remmen raakten los
En ik, ik ruilde je in

voor een grotere Gazelle
rood en jong
Mijn nieuwe liefde

José Hattink-Blom, mei 2022

In het hoge Noorden
zit boer Boon op een gasbel
Nederland komt er warmpjes bij te zitten

Tot in de hemel rijkt het gas
Als de sterren verschijnen, rijden er nog tanks
over vele grenzen, die worden opgerekt

De huizen, die hebben littekens gekregen
niet bestand tegen verkrachting van de grond
Huisraad beweegt, bewoners schokken na

Het hoge Noorden voelt zich misbruikt
Ze zijn moe en monddood gemaakt
máár niét zonder slag of stoot

De hoeve van boer Boon verdween
Uit de gasbel verrees het milieumuseum
De koeien verdwenen en bedden verschenen

Tanks reden tot over verre grenzen
Nu rijden er bussen vol met klimaatwetenschappers
en zingende toeristen met rollende koffers

Grassen deinen,
bomen vastgesnoerd aan hun wortels,
tekenen een ondergronds verbond

Onder die bomen vleien toeristen zich neder
De Noordelingen rennen en vliegen
om ze op hun wenken te bedienen

Koffie, met een stralende glimlach
En de wetenschappers
die weten het nog niet

José Hattink-Blom

Weet u dat wandelen ook stress kan geven
moge u het niet beleven
Ik maakte de keus
maar heus het was geen genoegen
het was zwoegen en ploegen

Met de rugzak al, begon de twijfel te knagen
zoveel vragen, een lichte zak, klein of groot
ik was als de dood, straks ben ik wat vergeten
Weten kan ik het niet
nimmer heb ik een één-daagse gelopen

Zak ten top, de paden op
Samen in een kolonne gaan lopen
en maar hopen dat ik mee kan marcheren
Trots stapte ik in mijn wandelschoenen
die door al het boenen als spiegels glommen
en later zwommen in de plassen

Grassen en bevleugelden
kietelden en zoenden mijn arm
warm kreeg ik het ervan
Ze staken zelfs in mijn voeten
de groeten, al dat gedoe en gezwoeg
genoeg is genoeg zei mijn Tom Tom

Ik ging de paden af
en gaf mezelf vrij
Blij als ik was
ging ik op café, hoezee
En zag op de tv mijn idolen
maar het meeste miste ik

de gladiolen

José Hattink-Blom, oktober 2021

Er was eens een tweetal, genaamd Pauwla en Knorrit, die naar het feestje van de jarige Kermit gingen

Pauwla en Knorrit zijn collga,s ze gaan het bos in waar het geurt naar dennennaalden, een waterig zonnetje vergezelt hun
De twee dieren vallen op tussen al het groen, Pauwla heeft haar paarse muts vol veren opgezet en Knorrit heeft zijn parmantig rode dophoedje over zijn oren getrokken, met zijn kraaloogjes kan hij er net onderdoor kijken
Pauwla stapt parmantig door en Knorrit waggelt op zijn gemak er achteraan
Ze lopen eerst het dierenopvanghuis binnen, waar je de pennen driftig hoort tikken van breiende eekhoorns. In de cadeauwinkel kiezen ze een shawl met popoenen uit voor hun vriend Kermit
Het tweetal vervolgt hun tocht in het bos waar het begint te waaien
De takken van de bomen zwiepen heen en weer en kraken af en toe
Ze lopen verder, er lijkt geen einde aan de tocht te komen
Hun voeten worden zwaarder, hun magen leger en hun humeur daalt
De lucht heeft haar kleuren gemengd waardoor de schaduwen meebewegen
Pauwla en Knorrit schuiven voort, vermoeidheid zit hun op de hielen en hun magen beginnen nog meer te knorren. Geluiden uit het bos verspreiden zich
Knorrit gaat op zoek naar eten, hij graaft in de aarde en stuit op twee aardperen. Enthousiast graaft hij dieper en haalt de aardperen uit de grond
Trots als een pauw gaat hij ermee naar Pauwla toe die nuffig haar neus ophaalt en zelf op onderzoek uitgaat
Knorrit doet zich tegoed aan de aardperen en eet zijn buikje rond
Eindelijk komt Pauwla eraan slenteren zonder maal met een knorrig gezicht en met buikpijn. Ze zijn al te lang op pad geweest, er klopt iets niet, waar was het onderkomen van hun vriend ook al weer?
Ze begint zich toch een beetje ongemakkelijk te voelen, wat hoort ze toch in de verte en boven zich?

Er was eens een vogel die vloog net op dat moment boven hun hoofden
Het was meneer de Uil die de wandelaars had opgemerkt en net voor hun, zijn opwachting maakte
Pauwla vraagt de uil de weg naar hun vriend Kermit
De uil is bekend met de vijverplek van Kermit en vliegt vooruit
Knorrit met zijn gevulde buik en energie voor twee volgt de uil met parmantige tred, Pauwla waggelt er achteraan en kan met moeite meekomen, ze is uitgeput van honger en vermoeidheid

Er was eens een vijver waar een kikker resideerde. De uil vloog er naar toe en wachtte op de wandelaars
Op de vijver dreven waterballonnen en de jarige Kermit droeg een geel kroontje
Knorrit stapte vief op Kermit af, en feliciteerde hem
Even later kwam Pauwla al waggelend in beeld, ze kon geen stap meer verzetten

Er was eens een vogel die bijna omkwam van de honger en zo moe was dat ze struikelde en pardoes in de vijver viel
De redding was ter plekte, viste Pauwla uit de vijver en zette haar op de waterkant
Kermit kwam met een bordje kroost aanzetten en zette dat voor Pauwla neer
Ze at niet, nee, ze schrokte alles in een mum van tijd naar binnen
Haar manieren waren volledig in het water gevallen en ondertussen gluurde ze een ietsepietsie beschaamd naar Knorrit

Er was eens een bos waar feest gevierd werd door een kikker met een shawl vol pompoenen, een stijlvol varken en een pauw met berouw.

José Hattink, september 2021

“Honger maakt rauwe bonen zoet”

Hunkerend tel ik de uren
voor de ontmoeting met mijn dame
Vlinders fladderen in en om me heen
Ik voel me in de Zevende Hemel

Ik ga op pad, loop mezelf voorbij
er is geen minuut te verliezen
Struikelend kom ik tot stilstand
en veeg het zand van mijn knieën

mijn blik bevriest
mijn hart hapert
mijn droom valt
in duigen

ze lijkt anders
ze kleurt anders
het voelt anders

ik stap niet bij haar in
Diane, zij is het toch niet
Welke fee heeft mij dit ingefluisterd?

En ik, ik blijf trouw aan mijn lelijke eend

José Hattink, juli 2021