Jos Paardekooper

De dag loopt af.
De stad loopt leeg.
Het terras loopt vol.
De tas puilt uit.

Een papier waait op.
Het verkeer zwelt aan.
Een motor raast voorbij.
De vuilnisploeg komt langs.

De ober komt zo.
De bestelling komt door.
De mossellucht drijft over.
Een glas valt om.

De stemming stijgt.
De zon daalt.
Het licht dooft.
De nacht valt.

Jos Paardekooper

Hoe voos is ’t om, zoals in rampspoedtijd,
te verwijlen bij geluk van vroeger dagen
dat enkel het verkrampt gemoed verblijdt:

beproefd recept voor overvolle magen,
want er bestaat geen bruikbaar voorwaarts gaan
dat zich volmaakt gevaarloos laat verdragen

en zich op eigen daadkracht voor laat staan;
het leven toch voltrekt zich in het ongewilde,
trekt zich van plannenmakerij niets aan

en kent geen keer dan in de droom: verspilde
tijd, geen omzien zonder wee of wrok
of zonder hartstocht die allengs verkilde.

Niets rest ons dan het tikken van de klok,
de tijd slechts dient zich onbaatzuchtig aan.
Nooit komt men verder dan wanneer en bloc

men nu juist niet meer weet waarheen te gaan.

‘Er bestaat geen bruikbaar voorwaarts gaan’: vrij naar Robert Musil, De man zonder eigenschappen (Ned. vertaling, Amsterdam, 1988, p. 353) 

De slotregels zijn een aangepaste versie op: ‘Nooit komt een mens verder dan wanneer hij niet weet waar hij heen gaat’, toegeschreven aan Oliver Cromwell.

Jos Paardekooper

(een idylle)

Wat wilde ik ook weer worden? – goeie vraag.
Meester, maar over wie of wat, dat bleef nog vaag.
Soms droom ik weer dat ik mezelf tegenkom,
de kleine jongen die ik was, naïef, en niet echt dom.

Gedrag, vlijt en ijver steevast ‘z.g.’,
nou ja, wie was in die jaren niet gedwee.
Wacht maar, zei mijn vader, tot je groter bent,
maar alle tijd van leven, behalve puberteit, die went.

Hoe groter ook allengs van geest en leden,
hoe groter de illusie is geweest, tot op heden.
Het knapste knaapje van de klas, je zult het zijn.
Een biertje? Nee dank je, ik drink alleen venijn.

In volleybal en bal masqué volstrekt mislukt;
waar werd ter wereld zo oprecht gekrukt.
Ik had niks liever willen zijn dan wie ik ben:
een weerloos wezen, alleen behept met tong en pen.

Dat is het wel zo’n beetje. Het was in diepste wezen
zo ongeveer waarover je je leven lang kunt lezen
om daar dan ook weer over te gaan dichten,
en ziels- en lotgenoten over in te lichten

omtrent de oorsprong van mijn ach en weegeklaag.
Wat of ik ook weer worden wou? – goeie vraag.

Jos Paardekooper

Met dank aan Gerard Visser, die het ontleende aan Martinus Nijhoff  (‘De soldaat en de zee’).
En aan Ilja Pfeijffer, aan wiens bundel Idyllen ik meer dan alleen de ondertitel heb ontleend.

(nomen est omen)

Daar staat-ie, onze kleine prins.
Dat vaantje lag nog op de hilt.
Wat kijkt hij dromerig, verstild;
papa zegt, hij is vast weer wat van zins.

De sabel komt wellicht nog eens te pas
als hij verstrikt raakt, in z’n tressen.
Hij toont ten minste de noblesse
die hóórt bij zo’n portret surplace.
En hoe parmantig staat hem die sjako,
die alle deuren doet ontsluiten.
Mama maant hem vergeefs naar buiten;
ze zegt: “prestige krijg je niet cadeau.”
Maar hij verkiest te blijven dromen –
dat is een Benjamin zijn recht.
Het lot, weet hij, is al beslecht,
zijn naam weldra een dreigend omen.

Jos Paardekooper

Lofdicht, in vijftig woorden, op de allereerste bijeenkomst
van het Deventer dichterscafé
Er raasden nog geen Fyratreinen door de polder.
Jorge Bergoglio raasde nog niet rond in Rome.
Er waren nog geen onthoofdingen op tv.
Er werd nog gevlogen boven Oekraine.
De restauratie van het Rijksmuseum 
ging nog net niet z’n tiende jaar in,
evenals in Gitmo 140 gevangenen. 
Overal was rust.
Aan het laden...