Jos Paardekooper

Wie per pedes apostolorum, of per vélo
de Brusselsche Steenweg afdaalt naar
het kloppend hart van Leuven, kruist
onvermijdelijk de Blaauwen ‘Uk,

een verlopen pleintje van het soort
groezeligheid waar Belze steden patent
op hebben aangevraagd, én verkregen;
zwerfvuil kleeft tussen de ongelijke kasseien

en de uitgestalde waren van een morsige
negotie tarten de uiterste houdbaarheidsdatum.
Eerlang beroemd om zijn brouwerijen –
ooit droeg het de trotse naam van

Le Coin Joyeux, de Blijde Hoek -,
waar seigneuren in de staminees blauw
konden worden van een onbekommerde
dosis aan trippels en genevertje,

en wie dan nog goesting had, kon nog even
aanwippen bij de madammekes ‘boven’,
met een ferme kans om alsnog
een blauwtje te lopen.

Joseph Paardekooper, 25 juli 2022

Van alle stations kun je naar Lviv,
overdag en diep in de nacht, als tenminste
Lviv nog bestaat tegen dat je arriveert,
en het Russische moordtuig – izvinitje:
het bevrijdingsleger van tiran Vlad
de stad nog niet finaal aan flarden heeft geschoten.
De oorlog is ver weg en toch voelbaar,
heette het nog geen acht jaar geleden,
toen je landgenoten massaal bevrijdings-
liederen zongen op het Maidanplein.
Van Kiev naar Lviv was toen nog ruim
vijf uur treinen, nu nog slechts een zuinig
half uurtje vliegen met een kruisraket.
In alle bistro’s kon je poezata gata eten,
en vareniki, overdag en diep in de nacht,
toen je stadgenoten massaal vrijheidsliederen
zongen rond het standbeeld van koning Daniël.
Ooit was je Lemberg, en heette je het kroonjuweel
van Galicië, ooit was je Lwów, in herrezen Polen,
Joodser dan Joods, en dan ineens doodser dan Duits.
Talloze malen verkracht, verminkt, vermorzeld
ben je straks hooguit veracht door alweer een nieuwe
machthebber die als een dief in de nacht je prachtige
boulevard Svoboda schandvlekt met tanks, bestuurd
door Syrische huurlingen en Tsjeteense trawanten,
bij gebrek aan továrits met Russisch bloed.
Ooit was je de stad van Joseph Roth, die je heeft ingedronken,
ooit was je, dixit Josef Wittlin, ‘de stad waar je alleen
kon wachten op het vertrek van de trein’, vanaf alle stations,
overdag of diep in de nacht. Lviv wacht op wat haar weer
te wachten staat, en zingt al weer niet meer, maar zwijgt.

Joseph Paardekooper, Deventer 28 maart 2022

bij het thema ‘Adam Zagajewski’,
indachtig zijn gedicht ‘Naar Lwów vertrekken’
uit de bundel Wat zingt, is wat zwijgt

Des nachts wandelt hij onwetend door de straten
gehuld in sjamberloek, sloffend in zijn pantoufles
hij heeft zichzelf niet in de hand noch in de gaten
schuifelt ziende blind uit zijn bedroefde ogen
kijkt op noch om laverend tussen lantaarnpalen
en her en der geparkeerde automobielen
ontwijkt de vragende blikken van een vrouw met voile
steekt dan over, vlak bij het monument voor hen die vielen
gaat dan huiswaarts terug.

Maar doodgaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staat geen beletsel van een wandelwet
noch ongemak van praktische bezwaren
alleen de moedigheid die niemand kan verklaren
maar die de wandelaar spaart en wetten tart.

Zo gaan de jaren heen, de buurkinderen worden groot
en zien de man, die ze kennen als hun straatgenoot
allengs versloffen tot hij, een vroege morgen
met nog nauwelijks verkeer, bij wijze van point d’orgue,
het monument passeert en stap na stap
doorgaat tot voorbij de einder.

Joseph Paardekooper, 24 oktober 2021

Hoewel ik al mijn hele omstreden
leven in Venerische sferen had verkeerd,
was ik nog nooit met Haar in contact getreden;
hoe dat moest, was ik al goeddeels verleerd.

Totdat een behulpzame kennis, met dito verleden,
de app op mijn laptop had geconfigureerd,
en daar verscheen plotsklaps mijn innig aanbeden
godin van mijn hart, welgeproportioneerd.

Ik stamelde: ‘U, die ik ademloos steeds heb vereerd,’
en zo nog wat klanken die ik nooit had geleerd.
Had ’k me maar beter gedocumenteerd –
het klonk al met al bepaald niet volleerd.

Uiteindelijk zei ik: ‘bellissima mea!’,
waarop zij, op fluistertoon: ‘Zegt u maar Thea.’

Joseph Paardekooper, 26 juli 2021

* Bij het thema ‘De god in mijn hersenen’, n.a.v. het gelijknamige gedicht van Rutger Kopland (VW p. 438), en de column van Ingmar Heytze in de NRC van 19/20 juni 2021.

L iefde klotst tegen mijn borst als een woeste zee
E n doet m’ in mijn dromen bij U verwijlen,
S inds ik, beneveld, U bereed:
F leur! – laat ons het uitspansel omzeilen,
L averen op koers, leven van de wind,
E n volgen de weg van Uw bollende linnen.
U leerde mij spelen met Uw golvengebint,
R oekeloos uw hellingen beklimmen.
S machtend liet ik mijn lendenen trillen,
D oor U onbarmhartig gepijnigd,
U w briesen en bruisen, Uw grollen en grillen
M aakten Uw rondingen dansen en deinen;
A lles aan U is gelikt, glad en groot,
L iefste, kom weerom in mijn wanhoopsnood!

Joseph Paardekooper
Deventer, 26 april 2021
op de tiende verjaardag van het Deventer Dichterscafé,
bij het thema ‘Baudelaire’

  • Toelichting
    De dichter heeft zich verstout de vertaling van Pieter Bas Kempe van Baudelaire’s gedicht ‘La Musique’ thematisch te variëren, met behoud van de door hem gebruikte rijmwoorden.
    Met des dichters aanbeden Muze gaat het inmiddels goed; ze laat weten te floreren in een amusementshal, waar ze een ’toezichthoudende taak’ vervult. De dichter zelve is nooit geheel hersteld van zijn Fleurige escapades.