Jos Paardekooper

Hij snijdt uit morgenrozenhout
tafels met citroenen
beplant zenuwrasterwerk
met diplomatenkoppen
vangt schuwe windvlagen
o zo voorzichtig, zo ijl

als helblauwe hemelstrepen
breekbaar als penseelstreken
koestert hij koeögige kuien
verbeeldt olifantenmutsen
sneeuwhazen reigerblikken
lichter dan lijsterstemmen

wie gaat er mee de vijverkoe bevrijden
uit de hofvijver van de taal
aloude bron waaruit alle woord
wordt aangeboord
en elke dag herboren.

Joseph Paardekooper
Deventer, 22 november 2020

bij gelegenheid van de 100ste geboortedag van Paul Rodenko op 26 november 2020

Fluisterzacht, als het ruisen
van de bomen in de Kloostertuin
liet je de woorden vallen tussen
de rusten in je zinnen,
bedachtzaam geuit, als dorst
je de taal niet te schaden
de stilte niet te verbreken.
Ze klinken nog na, lang
nadat wij zijn uitgeluisterd,
nadat jij bent uitgefluisterd.

Joseph Paardekooper,
Deventer, 10 april 2020


bij het afscheid van Nele Holsheimer

Lager nog dan pissebed en strontvlieg staat
de mestkever, dat blauwzwart glimmend
bladsprietig lid van de familie der coprophaginae,
ook al geen naam, zeg nu zelf, waar je mee
thuis kunt komen; in de balzaal van gods akker
is hij daarom niet welkom, al van in den
beginne is hem zijn plaats gewezen.

Hij huist in een onaanzienlijke uithoek
bij de verworpenen der aarde,
verdeelt zijn onwelriekende leven
tussen nest en mest, te midden van
de excrementen van hoger geplaatsten,
achtergelaten als stank voor dank
voor ’t aangenaam verpozen.

Maar waar zouden we zijn zonder mest
over gods akker, dus lieten de farao’s
zich balsemen en inmetselen met
een scarabee op hun edele borst.
Ere wie ere toekomt, al blijft
de vraag wie de uitwerpselen
ruimt van de mestkever.

Jos Paardekooper

De dag loopt af.
De stad loopt leeg.
Het terras loopt vol.
De tas puilt uit.

Een papier waait op.
Het verkeer zwelt aan.
Een motor raast voorbij.
De vuilnisploeg komt langs.

De ober komt zo.
De bestelling komt door.
De mossellucht drijft over.
Een glas valt om.

De stemming stijgt.
De zon daalt.
Het licht dooft.
De nacht valt.

Jos Paardekooper

Hoe voos is ’t om, zoals in rampspoedtijd,
te verwijlen bij geluk van vroeger dagen
dat enkel het verkrampt gemoed verblijdt:

beproefd recept voor overvolle magen,
want er bestaat geen bruikbaar voorwaarts gaan
dat zich volmaakt gevaarloos laat verdragen

en zich op eigen daadkracht voor laat staan;
het leven toch voltrekt zich in het ongewilde,
trekt zich van plannenmakerij niets aan

en kent geen keer dan in de droom: verspilde
tijd, geen omzien zonder wee of wrok
of zonder hartstocht die allengs verkilde.

Niets rest ons dan het tikken van de klok,
de tijd slechts dient zich onbaatzuchtig aan.
Nooit komt men verder dan wanneer en bloc

men nu juist niet meer weet waarheen te gaan.

‘Er bestaat geen bruikbaar voorwaarts gaan’: vrij naar Robert Musil, De man zonder eigenschappen (Ned. vertaling, Amsterdam, 1988, p. 353) 

De slotregels zijn een aangepaste versie op: ‘Nooit komt een mens verder dan wanneer hij niet weet waar hij heen gaat’, toegeschreven aan Oliver Cromwell.

Jos Paardekooper