Jan van Laar

Als hoge torens naar de mensen zwaaiden
en ganzen dansten op het lege plein,
als zwanen in de vroege morgen kraaiden
en heidebloemen geurden als jasmijn,

als boerenknechten zongen bij het maaien
en terpentijn veranderde in wijn,
als jij je fiets m’n keukentje in draaide
en jij vanzelf een plaats kreeg in dit rijm,

als plotseling een warme wind ging waaien
die wegblies al ons wederzijds venijn,
dan sprong ik gauw op jouw bagagedrager:
je nam me mee, ondanks de zadelpijn!

Jan van Laar

(naar ‘Twee koningskinderen’ van Gerrit Komrij, 1944-2012)


Ajo kabajo,
waar is de wind,
waar is de
ajo kabajo wind?

               Die is van de kale stranden
               met de noorderzon vertrokken,
               zoekend naar de groene weiden
               bij de boerderij van Josken.

              Voortgedreven door die wind
              komt een vogel aangevlogen:
              zomerzanger wielewaal.
              Veilig landt hij in de weiden,
              ‘dans les prés’ in Joskens taal,
              en oefent daar zijn repertoire.

Dudeljo, is zijn lied,
dudeljo, is zijn lied,
              dít is wat hij zingen kan
dans les prés,
dudeljo,
nee, anders niet,
anders niet.

              Josken hoort hem, zingt hem na,
              vindt dan ook een and’re taal:
ubi
tubi
jubilate
angelina
pange lingua
dans les prés
dans les prés du bonheur,

              en zijn naam verandert mee,
              verandert mee
tout à l’heure,
              en die naam gaat met hem mee
pour toujours:
Josquin des Prés!

              Zijn missen, motetten,
              chansons voor amourettes:
              zij vliegen als de wielewalen,
              nachtegalen, goudfazanten
              op de zomerwinden,
de luchtige,
vluchtige
ajo kabajo
winden mee,
              naar weiden die zij
              elders vinden.

Jan van Laar

Je bent verdwenen,

wie weet hoe lang geleden, hoe lang
al voordat ik het wist, voor ik het had
gemerkt. Je verdween uit mijn
bestaan, maar je bent er nog wel.
Hoewel ik je niet kan horen, of zien of
voelen. Je bent er,

in zekere zin.

Immers, ik droom je tot gestalte. Ik
verzin je tegen de klippen op met
golven van verlangen, pijn en
ongeduld, met golven die de rotsen
teisteren en uithollen.

Mijn fantasie werkt als erosie, die
jouw beeltenis niet met water uitwist,
maar uit koele steen tevoorschijn
roept.

Ik vind geen rust aan deze kust.

Jan van Laar

Een paard te zijn, een schommelbeest:
al lang heb ik ernaar verlangd,
zo’n beest, maar wel van eigen vlees.
En jij, ik weet je naam niet eens,
klom vlug en vrolijk op mijn rug
en wiebelde terwijl je riep van:
‘toe, vooruit jij, hobbelpaard’.
Maar ik werd moe van al die haast,
begreep al gauw: dit hóud ik niet,
en ik lanceerde jou.
En jij, je schreeuwde van plezier
en scheerde raak’lings langs mijn raam.
Ik riep ‘oh, dear’, ik vloog je na
en greep je bij de lurven.
We surfden samen op de golven
van de wolken en de wind,
omwonden door mijn lange staart,
en zwaaiden blij en opgelucht
in volle vlucht naar huis en haard.

Jan van Laar

Er waren eens twee vrouwen,
een rooie en een blauwe,
de rooie was verkouwen
en de blauwe had de hik.
Twee boeven moesten hangen,
een stoere en een  bange,
de stoere werd gevangen,
maar de bange had geluk.
Er waren eens twee buren,
een vreemde en een zure,
de vreemde zat te gluren
tot de zure riep: kijk voor je!
Twee dominees uit Dalen,
een grijze en een kale:
de grijze wou garnalen,
hij wou een portie halen,
en die dan zelf betalen!
maar de kale wilde bier.
Ook dichtertjes verschillen,
maar drukke en zelfs stille
versieren met hun grillen
elke dag van twintig twaalf.

Jan van Laar