Jan van Laar

Nel, een moeder uit
Twente, had een joodse
jongen opgehaald uit
Amsterdam, zijn leven liep
gevaar. De jongen heette
Daniël, maar Nel noemde
hem Daan.

Eenmaal in de trein
bekeken zij de plaatjes in
een tijdschrift om de
spanning tussen hen te
breken en geschikte
woorden te verzinnen.

Ze sloten zich af van
de pratende reizigers in de
coupé en schurende
wielen op kreunende rails.

Ze stapten uit in Enschede.
Daar pakte hij haar hand,
zij keek hem in de ogen.
Toen wist Nel dat Daan
voortaan een zoon voor
haar zou zijn en zij voor
hem een moeder.

Thuisgekomen schoor Nel
al haar zonen kaal. Tijdens
een feestelijke optocht
kort daarna liep Daan
vooraan in de stoet.
Hij droeg de vlag.

Jan van Laar, september 2022

Steeds als ik probeerde een theorie over mijn fascinatie voor
naaktheid te ontwikkelen, dacht ik aan Paul Gauguin. Hij
schilderde vrouwen op het strand en liet daarbij niet alleen
maar bloot zien, hij bood ook ruimte voor vermoedens die tot
naakte feiten waren voorbestemd. Ik vroeg mijn prof of hij
mijn gedachtegang kon begrijpen, maar hij wilde daar als
bioloog geen uitspraak over doen.

Op een zomerse dag liep ik langs het strand. Ik had een
donkere bril opgezet om de zonaanbidders deTahitiaanse
kleur te geven die Gauguin ooit gekozen had toen hij
schilderde hoe warm het was. Daar kwam ik mijn
prof tegen, die bereid was nu wel een antwoord te geven.
Hij vond dat slechts een naakt feit niet bloot kan zijn,
hoewel op dit strand bepaalde vormen van naaktheid
voorkwamen die zijn stoutste vermoedens te boven gingen.

Jan van Laar, augustus 2022

Ze hingen al jaren naast of tegenover elkaar
in dezelfde zaal: de baron, de barbier, de
Moedermaagd en andere figuren uit voorbije
tijden. Roerloos staarden ze met open ogen
blindelings voor zich uit en trokken zich
inmiddels niets meer aan van de schaamteloze
blikken van nieuwsgierige museumbezoekers.

Eens ontstond er paniek in de zaal toen midden
in de nacht een vergeten telefoon begon te
rinkelen. ‘Onze bewoners zijn geschrokken
doordat zij zo’n modern signaal van huis uit
niet kennen,’ verklaarde de suppoost nadat
hij schilderijen recht gehangen had en het
blauwe vrouwtje van Vermeer van het parket
had opgeraapt. ‘Dat mens is zelfs op de
vloer nog blijven lezen,’ zei hij verbaasd.

Jan van Laar, juli 2022

Nu onze alcoholvrije nachtmerrie voorbij is
en we weer bier drinken en in de machtige
greep van onze duistere, prachtige gewoontes
opgelucht kunnen zeggen dat we het overleefd
hebben, mag de bries van de toekomst onze
grote dorstige lichamen komen strelen en
sterken. Laten we het jaar van de coca cola,
de maand van de frisse tonic en de week
van de appelcider achter ons laten, naar
de kroeg marcheren en de kelner omhelzen;
laten we Hertog Jan en zijn trawanten
aanbidden waar ze thuishoren: aan de bar.

(naar Mark Strand)

Jan van Laar, 6 juni 2022

Zij waren beiden zeventien en zaten in dezelfde klas.
Tijdens een saaie les schreef zij hem een briefje met
‘ik hou van jou,’ waarna hij zonder aarzelen terugschreef:

‘ik ook van jou.’ Zij waren een stel tot en met het
eindexamen. Daarna trouwden ze, ieder met een ander.
De tijd versleet die beide huwelijken, maar gaf het toeval

alle ruimte. Zij vond het liefdesbriefje dat ze ooit verstopt
had, hij droomde van de oude klas, toen geluk nog heel
gewoon was. Het toeval deed geen half werk, het vulde

twee agenda’s in: híj moest naar de Tweede Kamer, zíj
ging naar het Mauritshuis. Op het Centraal Station
herkenden zij elkaar.

Jan van Laar, mei 2022