Jan van Laar

Ik loop met mijn buurman door de stad. De man is blind,
maar ziet nog elke dag de oorlog voor zich, hoewel hij
die slechts uit de verhalen kent. Zijn verbeelding krijgt

de overhand zodra hij daarover gaat vertellen. Hij is dan
gewapend, loopt bij vuurgevechten soms een schotwond
op, verliest geen druppel bloed, staat altijd aan de goede

kant van het geluk en roept commando’s die hij midden
op straat nog onderstreept met de gebaren van een
overwinnaar. Op dat moment toetert een auto hem het

voetpad op, waarna wij samen op een bank proberen te
bekomen van de schrik. De buurman zegt: ‘Wat ik vertelde,

heb ik écht gezien.’ Ik wil hem wel geloven, toch zeg ik: ‘Zelfs
als blinde zie jij nog teveel.’ Dan wandelen we zwijgend verder.

Jan van Laar, oktober 2021

Een teefje ging op vrijersvoeten.
Een onbeschreven blad op amoureus
gebied was zij allang niet meer.

Zij had al zoveel sjans gehad met reuen
waar echt alles op en aan zat, dat zij van
volmaakte types schoon genoeg had.

Een hele reu zou haar op dit moment
te veel zijn; een oor, een oog, of slechts
een slanke poot was al genoeg om
haar zo diep te raken dat haar staart
er opgewonden van begon te kwispelen.

In de liefde zijn het de details die tellen.

Jan van Laar, september 2021

(Stenen)
Straten bieden deze stad
verrassende gedichten aan,
straten laten stenen spreken
voor wie hun stilte kan verstaan.

(Langs de IJssel)
Saartje leunde op een hek langs de IJssel
en staarde naar de overkant.
Vergeefs probeerde ik dit woordeloze
beeld met tekst te overtreffen.

(Synesthesie)
In de schemerstilte klinkt het
uitzicht op de uiterwaarden
als een pastorale van een
kudde weideschapen.

(Lucifer)
De blik die jij me in de Walstraat
toewierp, was als een lucifer die
langs mijn hunkerende dromen
aangestreken werd.

(Voetveer Deventer)
Luister hoe de veerman lijdt
wanneer zijn oog valt op een vrouw
die met haar zijden achtersteven
deint in diep marineblauw.

Jan van Laar, augustus 2021

Het was nog vroeg toen ik de stad uit rende
om de zomer welkom te heten. Ik beklom de
hoogste duin en keek naar de zee, daalde af
naar de branding en verkoelde mijn zweet-

voeten. Golfjes streelden het strand, trokken
zich terug en begonnen dan opnieuw. De
schelpen die ze uit zee hadden opgediept,
lieten ze achter. Boven de vloedlijn begonnen

de eerste geliefden elkaar met zomers vuur te
verkennen en bouwden kinderen met blote
handen hun eerste kastelen. Toen ik al dat

geluk om me heen in me opnam, wist ik dat
de goede God echt bestond, tot er iemand
met ingeblikte muziek het strand in bezit nam.

Jan van Laar

De tijd van ruzies was voorbij. Het was nog
vroeg toen de mensen door een morgen
liepen die lichter was dan ze ooit hadden
gekend, een heldere, vrolijke, lachende

morgen. Ze liepen, ze riepen en hielden niet
op. Nooit hadden ze gedacht dat het zo ver
zou komen, niet ondanks maar dankzij
elkaar. Langs zandpaden en asfaltwegen

gingen zij te voet door de lentemorgen. Ze
zongen het bekende repertoire van You‘ll
never walk alone tot het onvermijdelijke

Should auld acquaintance be forgot, waarna
ze hun eigen weg kozen, sommigen naar
Wassenaar, anderen naar Appelscha.

(vrij naar Mark Strand)

Jan van Laar