Jan van Laar

Hartje zomer in Florence
‘Moet je voelen hoe warm dat marmer is,’
    zei ik
en ik legde jouw hand op een been van David.
‘Je weet dat een naakte man mij koud laat,’
    zei jij.
Ik was teleurgesteld.

Jan van Laar

Het moet iets betekenen
wanneer het nachtelijke gekraak van dakspanten
de aandacht lijkt te vragen voor het gebruikelijke
wonder van de liefde.

De duisternis draagt hiertoe bij doordat zij de
scherpste hoekigheid van mensen in hun omgang
zodanig verzacht dat hun wederzijdse gedragingen
soepel uitlopen op amoureuze routine.

Het moet iets betekenen,
maar wat?
Vraag het niet aan mij:
míjn dakspanten kraken niet
en ik slaap alleen.

Jan van Laar, november 2020

Voor mij lijkt dit het einde van een lange dag die over-
schaduwd wordt door wolken wilde eenden op de vlucht;
daar lijkt het op, maar niet altijd, soms laat de zon zich
even zien. En binnenshuis lijkt het de klok die laatst
gerepareerd moest worden en nu weer aan de muur hangt,

maar die wat traag geworden is, zodat hij uren tegenhoudt,
wat mij de tijd geeft mijn huishoudelijke achterstanden in te
halen. Het lijkt mijn kamer die niet opgeruimd is, of de bril
die iemand is vergeten, het versleten jasje op de grond; het
lijkt de schimmelsoep die op de tafel staat te stinken. Daar

lijkt het op zo ongeveer, tot ik besluit te gaan verhuizen.
Het lijkt de hond die bij het afscheid onvervalst moet
blaffen, waarbij vergeleken mijn verdriet wat tegenvalt.
Het lijkt een wereld die alleen bestaat voor de ik in dit
gedicht, mais: Je est un autre.

Jan van Laar

Ik, Corona,

draag mijn ziekste klanten

vol vertrouwen over aan

de dood, in het besef

dat zij bij hem in goede

handen zijn, want Hein

is vele malen democratischer

dan ik; mijn eigen keus

mondt altijd uit in willekeur.

Jan van Laar

De keizer was een overtuigde exhibitionist
die zijn edele naaktheid, compleet met
aangehangen delen, tijdens een optocht aan

zijn volk liet zien. Deze zin kon Andersen niet
uit zijn kuise pen wringen. Het was in de ogen
van de auteur zelfs te gênant om te beschrijven

hoe de keizer zelf zijn kleren op een
gouden stoeltje naast de troon had gelegd. In
plaats daarvan liet hij inhalige tailleurs fictieve

kleren maken, zodat het leek dat de keizer
werd bedrogen. Maar het kind aan het eind
van het sprookje was wél echt; het riep:

‘De keizer loopt in zijn ´blootje´. Dit gaf stem aan
de verblindende naaktheid van de vorst,
waardoor deze zich eindelijk gekend wist.

Jan van Laar