Jan van Laar

Het was nog vroeg toen ik de stad uit rende
om de zomer welkom te heten. Ik beklom de
hoogste duin en keek naar de zee, daalde af
naar de branding en verkoelde mijn zweet-

voeten. Golfjes streelden het strand, trokken
zich terug en begonnen dan opnieuw. De
schelpen die ze uit zee hadden opgediept,
lieten ze achter. Boven de vloedlijn begonnen

de eerste geliefden elkaar met zomers vuur te
verkennen en bouwden kinderen met blote
handen hun eerste kastelen. Toen ik al dat

geluk om me heen in me opnam, wist ik dat
de goede God echt bestond, tot er iemand
met ingeblikte muziek het strand in bezit nam.

Jan van Laar

De tijd van ruzies was voorbij. Het was nog
vroeg toen de mensen door een morgen
liepen die lichter was dan ze ooit hadden
gekend, een heldere, vrolijke, lachende

morgen. Ze liepen, ze riepen en hielden niet
op. Nooit hadden ze gedacht dat het zo ver
zou komen, niet ondanks maar dankzij
elkaar. Langs zandpaden en asfaltwegen

gingen zij te voet door de lentemorgen. Ze
zongen het bekende repertoire van You‘ll
never walk alone tot het onvermijdelijke

Should auld acquaintance be forgot, waarna
ze hun eigen weg kozen, sommigen naar
Wassenaar, anderen naar Appelscha.

(vrij naar Mark Strand)

Jan van Laar

de duivel bestaat niet
   denken zij
vroeger misschien
   maar nu
dankzij de wetenschap
   de kunst
en het gezonde verstand
   niet meer
dan denken zij weer aan
   iets anders

Jan van Laar

omdat de klokken maar
   bleven doortikken
werd hij met de jaren
   ouder

wanneer hij nu in de spiegel kijkt
   is hij bereid om van
elke vorm van onsterfelijkheid
   af te zien

Jan van Laar

ik ben van plan in deze stad
   voorlopig nog
geen liefde op te lopen

muren die verlangens weten
   te beheersen
droom ik om me heen

tot ik ze laat bezwijken
   onder druk
van mijn begeerten

Jan van Laar