Jan de Vlaming

Hier lig ik in mijn uterus, geen
zicht op wat dan ook, in diep contact met haar die ik niet ken,
van wie ik leef

Een uitweg is er niet, nog niet
en waar dan ook naartoe?
Je weet nog niets, da’s pas van later dat er niet is, maar er
zal zijn

Waartoe? Om daar
te vinden, jezelf en mij
En al die anderen, en zo

weer wat te vragen
en dan vergeten
(het vragen, en hen te vergeten)
hen vragen en het te vergeten

Jan de Vlaming, januari 2024

Ach gij dankende sprankelende dichterling
Met grootse gezangen belâen
Wat wilt gij toch van ons dat wij verstâen
Als gij op het waterke zingt en springt
En wij aan de kant moeten gaan?

Jan de Vlaming, november 2023

(Een gelegenheidsgedicht)

Je koopt er wat blijvends van in,
in geel en rood,
dat inslaat als edelmetalen gemunt
koper na brons, in woorden
om beelden mee te maken,
j’een beeld te vormen van

een dichtersclub, die het in het café niet
op een zuipen zet maar toch,
na jaren nog open,
dicht? Schallend koper lijkt het

Wat koop j’er voor, dat uiteindelijk
niet groen en verweerd uitslaat?
Dat niet als alles in zompige droesem
verdwijnt, nadat de bundel
-gekocht en weggezet-

nooit meer
opgeslagen en
vergeten wordt
Sla, sla dicht.

Sla op en open
dat koper, en maak er iets levends van
voor in het verschiet,
Dat zwart op wit -ook binnen-
blijft klinken

Jan de Vlaming, oktober 2023

mijn hoed afnam of opdeed,
opdeed en weer afnam,
verscheen er een nieuwe dag, een dag
die zonder groet zich
verder ontvouwde;
dat was hij zo gewend

Ik lachte hem ditkeer toe
en deed verder geen moeite,
Je kon wel bezig blijven:
Het dagelijks ritueel was hem en mij
als telkens weer, genoeg.

Hij stoorde mij niet, ook
ik was wat gewend:
qua werk en vrije tijd en zo,
uit en naar bed van

week in, maand uit naar jaar,
zo cirkelde het maar door
waarbij ik soms geduld
en ook mijzelf verloor

Een rite biedt soms rust
maar ook bekommernis
buiten mij om, en
wat ervan te denken?

We gingen zo in -op dat werk
en vergaten onszelf,
zo uit ons (eigen) doen (en denken)
geraakt:

De rite raakt óns
en de ander; daardoor zo
in blijde vergetelheid geraakt,
gerustgesteld,
onszelf gemist

Hoe verder
nu?

Jan de Vlaming, september 2023

I. Een diepe trek in ons
de trek naar alles wat niet is,
nog niet is, ooit was, zou moeten zijn,
wat zou blijven als het maar even kon
een diepe trek in ons
wat eigenlijk ‘ik’ of ‘wij’
zou moeten zijn?
een gemis dus
(nostalgisch of utopisch)
van jou en mij, naar mij of jou alleen
en samen:

‘nur wer die Sehnsucht kennt
weiß was ich leide’
(nicht wie, doch was und das);

dat blijft en dat alleen,
verder niets, om
een niet geleden verlies, een
verlangen
zo diep als
een gedicht

II. Zo diep als
Zo diep als
een gedicht dat mij
om heimwee vroeg
maar ook om Fernweh, om een
verlangen dat ons in de verte pas
verlaat

Dort wo du nicht bist,
dort ist das Glück. Maar
het ongeluk is dat
dan hier?
of is er niets als iets hier,
waarvan we niets
of bijna niets
weten

zo leeg en onvervuld
als voor sommigen
dit gedicht, tja
een gedicht

III. Ik liet
Ik liet een gedicht gebeuren:
zich tonen zoals het wou,
als lied van vreugde
en vol klanken van berouw
het verlangde meer,
begon zomaar op te spelen
tegen mij, alsof ikzelf niets zou
en niets te zeggen had

Kon ik niets doen tegen zijne majesteit als
Poëem der poëmen, nog voor
het minder vals gezongen en
de lijn der melodie te pakken had?
Droef en dreigend ging het verder
drong aan op meer
verdraagzaamheid voor zijn luimen,
zo ging het de tuin in
ook van de buren.
ging daar doorzeuren
dwars door de vijver
en kwam nooit meer om, verdween

Wenend bleef ik achter nu
nu ja, wenend, maar zonder
en verlangend naar
mijn gedicht toch?
Waar was het gebleven?
Zo zonderling, maar toch
Op de loop.
Een gedicht.

Jan de Vlaming, augustus 2023