Ger van Diepen

Mijn eerste liefde heeft mij verlaten.
De noorderzon scheen nog, toen zij stilletjes ging.
Ik bleef zitten lezen in de schemering
en had het pas laat in de gaten.

Ik keek op en verloor alle woorden.
De draad van het verhaal raakte kwijt.
Alleen in het donker kreeg ik spijt
en riep haar naam. Ze leek me niet te horen.

Is zij gegaan, of ben ik weggedreven
met mijn hoofd in de wolken, altijd op zoek?
Wellicht zit zij nu verdiept in een boek
op de bladzij waar ik was gebleven.

Ger van Diepen, mei 2022

ik lees
mijn juk is zacht, mijn last is licht
het is niet waar
straks hang je aan een kruis

ik lees
ga heen, vermenigvuldig je
maar jij zwierf rond
alleen en nergens thuis

ik weet
dat niets hier eeuwig is
voorbij, voorbij
o, en voorgoed voorbij

ik weet
er is muziek en moed
er is en toch…
dat is genoeg voor mij

Ger van Diepen, maart 2022

Niets hebben ze misdaan
Niets anders gedaan dan
langs een weg te staan

In de weg te staan

Hun armen uitgestrekt
de vingers tastend naar elkaar
verstrengeld, een beschermend dak
boven dagelijkse waan

Geplant toen nog in paardenkracht
werd gemeten en men dacht
tijd is er in overvloed

Nu tellen andere maten
Het geld, de haast, meer en snel
en jeugdige overmoed

De roerloze wachters, ze staan
Met hun stam tot schild staan ze
en vangen de klappen

Schuldig bevonden getuigen
van ons jachtig bestaan
Ik ben bang
bang dat ze moeten gaan

Ger van Diepen

Je kwam tot bij de hemelpoort
en dacht het paradijs te betreden
Helaas werd je wet met voeten getreden
nog voor je smeekbede werd gehoord
Net een keer te veel bedrogen
is je onschuld voorgoed vermoord
Ere zij God, ere zij God in de hoge

Jij, die de rook van het vuur kon scheiden
en sliep met de engelen van de nacht
hebt één keer te veel je moed opgebracht
Hemel en hel, je kende ze beide
Terwijl je de woorden Gods bewaarde
diep in je hart, besloop je het lijden
Vrede op aarde, vrede op aarde

Je moet terug, het is niet te geloven
en weer vult je mond zich met bloed en met stof
Hoor je de engelen, zij zingen Gods lof
Hemelse koren zijn niet te doven
Net een keer te veel geslagen
houd jij je doof voor wat ze beloven
In de mensen, in de mensen een welbehagen

Ger van Diepen, november 2021

Een jonge egel, dapper maar klein,
lag in het kort gemaaide gras
enorm stekelig te zijn.
Z’n neus op z’n buik, dat kwam goed van pas,

want aan de rand van het bos klonk geruis:
jongeheer pauw die schikte zijn pracht.
Hij had een fantastische trip bedacht
en ging vandaag eens ver van huis

om met zijn verenkleed te zwaaien.
Dan kon hij wellicht, zo was het idee,
diverse hotemetoten paaien,
en wie weet lokte hij er een vrouwtje mee.

Dus trippelde hij parmantig rond,
hevig stralend stal hij de show:
van je stapperdestap, kijk mij eens, maar ho!
Wat lag daar een merkwaardige bal op de grond.

‘Jij lelijk ding’, sprak de pauw vilein,
de snavel hautain naar beneden getrokken,
‘Ik zal eerlijk zijn en er niet om jokken,
jouw grijsbruine stekels, die vind ik niet fijn.’

De egel, perplex, maar snel weer bij zinnen,
antwoordde ferm: ‘Wat jij ook beweert,
ik doe wat mijn moeder me heeft geleerd,
want echte schoonheid, die zit van binnen.

Als bol ben ik veilig, moet jij eens kijken
hoe kwetsbaar jij bent, met je kont vol veren.
Dit is de les die jij nu moet leren:
Wil je zijn of wil je lijken?’

Beduusd liet de pauw zijn verentooi zakken.
Wie had dat gedacht, toen hij vanmorgen vertrok?
Zette die egel hem daar mooi te kakken!
Met hangende staart sjokte hij naar z’n hok.

Moraal:
Mijd opschepperij en schone schijn,
zet je stekels op als je veilig wilt zijn.

Ger van Diepen, september 2021

Aan het laden...