Ger van Diepen

Je kwam tot bij de hemelpoort
en dacht het paradijs te betreden
Helaas werd je wet met voeten getreden
nog voor je smeekbede werd gehoord
Net een keer te veel bedrogen
is je onschuld voorgoed vermoord
Ere zij God, ere zij God in de hoge

Jij, die de rook van het vuur kon scheiden
en sliep met de engelen van de nacht
hebt één keer te veel je moed opgebracht
Hemel en hel, je kende ze beide
Terwijl je de woorden Gods bewaarde
diep in je hart, besloop je het lijden
Vrede op aarde, vrede op aarde

Je moet terug, het is niet te geloven
en weer vult je mond zich met bloed en met stof
Hoor je de engelen, zij zingen Gods lof
Hemelse koren zijn niet te doven
Net een keer te veel geslagen
houd jij je doof voor wat ze beloven
In de mensen, in de mensen een welbehagen

Ger van Diepen, november 2021

Een jonge egel, dapper maar klein,
lag in het kort gemaaide gras
enorm stekelig te zijn.
Z’n neus op z’n buik, dat kwam goed van pas,

want aan de rand van het bos klonk geruis:
jongeheer pauw die schikte zijn pracht.
Hij had een fantastische trip bedacht
en ging vandaag eens ver van huis

om met zijn verenkleed te zwaaien.
Dan kon hij wellicht, zo was het idee,
diverse hotemetoten paaien,
en wie weet lokte hij er een vrouwtje mee.

Dus trippelde hij parmantig rond,
hevig stralend stal hij de show:
van je stapperdestap, kijk mij eens, maar ho!
Wat lag daar een merkwaardige bal op de grond.

‘Jij lelijk ding’, sprak de pauw vilein,
de snavel hautain naar beneden getrokken,
‘Ik zal eerlijk zijn en er niet om jokken,
jouw grijsbruine stekels, die vind ik niet fijn.’

De egel, perplex, maar snel weer bij zinnen,
antwoordde ferm: ‘Wat jij ook beweert,
ik doe wat mijn moeder me heeft geleerd,
want echte schoonheid, die zit van binnen.

Als bol ben ik veilig, moet jij eens kijken
hoe kwetsbaar jij bent, met je kont vol veren.
Dit is de les die jij nu moet leren:
Wil je zijn of wil je lijken?’

Beduusd liet de pauw zijn verentooi zakken.
Wie had dat gedacht, toen hij vanmorgen vertrok?
Zette die egel hem daar mooi te kakken!
Met hangende staart sjokte hij naar z’n hok.

Moraal:
Mijd opschepperij en schone schijn,
zet je stekels op als je veilig wilt zijn.

Ger van Diepen, september 2021

Einzelgänger
Bij de massa
ben ik niet in tel
Eenzaamheid is
mijn trouwe metgezel

Weg
Ga niet op
in de grijze massa
Ontstijg deze plek
Loop naar de maan

Heen
Mijn naam is in steen geschreven
Mijn lijf heeft afgedaan
Mijn ziel is, jong gebleven,
gisteren op reis gegaan

Ger van Diepen, augustus 2021

thuis -en ik wilde eruit
buiten mistte het dicht
maar ik wist
ik ken hier de weg

de mist bleek dikker dan gedacht
en niet goed opgelet
niet goed gekeken
betrad ik onbekend gebied

ik vond er nauwelijks nog een pad
dat deerde niet
want niemand miste mij
en ik alleen mezelf

in een moment met minder mist
liep iemand mij langszij
ik keek op, verrast, verward
kwam waarheid daar voorbij?

een schampere schater was mijn deel
ik ben er niet
je hebt me niet gezien

flarden ontnamen me het zicht
ik struikelde en fluisterde
het is niet echt

maar uit de mist
een stille stem
dat heb ik niet gezegd

terug naar huis
met groeiend besef
dat ik nooit ten volle ken

thuis -in de spiegel
mijn gehavend gezicht
ik keek
ik zag
ik ben

Ger van Diepen, juli 2021

geef mij de randen van de zomer
niet die intense hitte middenin
waarin iedere beweging wordt bestraft
met vochtplekken in knellende kleding
waarin alle actie wordt gesmoord
in de lome lethargie van
borrels, buurtbarbecues
en braderiemuziek op je balkon

geef mij het hoopvolle begin
met vroege vogelmorgens
en avonden die zich rekken
de lucht is bezwangerd
de verwachting bloeit
het sluimert, het prikkelt
iets groots gaat gebeuren
het is bijna tijd

geef mij het afscheid
met melancholie in milde zon
hak een weg door je tuin
eet van de vruchten
pak de koffers uit
de reis is gedaan
het avontuur voorbij
we zijn weer thuis

Ger van Diepen, juli 2021

Aan het laden...