Wijsterwaster

De zunne kwam gerezen
met winterse lastigheid,
met traagzaam ijsgekertel,
geen enkel onbegersde moldebuil
door horzelbies overrompeld.

Het dichterke, gepoeft met wappers
en van buitenwaardse ontederheid,
heeft het weer eens verbuisd,
gemingelmangeld in de zommer,
oh God, de wereld is een worstelperk.

Zijn hoppelend herte klopte
gelijk orgeltaal, te schielijk
en maar te zelden neuswijze,
wacht u de wederwijven, slechts
tijdworm is hun zwepend liefgetal.

In de wulgentronk schettergebek
gierende zwaluwen hingen in ‘t hoofdgewaai
eendlijk noodgevaart, ommentomme
’t koele gedaver van de winden,
driftiglijk hun zwervend vlerkwerk.

Zij staan wijsterwaster afgeprent
hemelstriepen in de locht, ontmooit
en ontmaakselt in hun schamelheid
en over de blootakkers voestert
malgemoed het kwelgediert.

Maar, achter de dwersdeur al
pinkoogt het maagdengroen
in het hofbeluik, waar wij nog dreupelen
van het krimpend alsemdrinken,
schompt het overstoffelijk brood.

Felle, doordronken meesterstreken
krakken ten halve afgewrocht
de schalkaard, de slapende botten,
het grimt ons in het gramme noorden
de smert des lijdens gemaagdekroond.

Mijn rijmdram wordt ooit mondsgemeens
ondanks doorkwetste lichaamsrampe
en zielgevaar, over de wereld wandlende
ik, de biddensmoede verzenvinder
zal nimmer van te dichten zwichten.

Duido Welzelle, november 2023

(Dick van Welzen)