Dick van Welzen

Slechts éénmaal heb ik u gezien, gij droeg van die zeekren sjaaltjens
en waart gezeten in Minerva, sociëteit in den sleutelstad Leiden,
u schudde uw engelachtige lokken, at een schaaltjen garnaaltjens
ik zag u door het vensterraam, een ‘Io vivat’ voor ons beiden?

Onderwijle speelde het stadhuiscarillon zaalge choraaltjens
onze kennismaking kon niet korter zijn, zouden we gaan rijden?
want u keek net op, schreef een van uw triestige verhaaltjens
ik wilde met u de diligence in, naar Kattik, trachtte u te verleiden.

Met mijn diepblauwe ogen en mijn borstjens, die brutaaltjens,
van de Breestraat naar het Badhuis, om samen de zee ver in te schrijden
over water lopen moge ook; vertel mij: waar staan daartoe de paaltjens?
als wij, onze lippen vastgedrukt, elkaar uit dit tranendal gaan bevrijden.

Onze eindloze paden kruisen zich onder knet’rende bliksemstraaltjens
onheil paart zoo met ongeluk, de grimlachende ondergang onzer tijden
dan openen zich onder klinkende cimbaaltjens de hemelse portaaltjens
echter, uwe oogopslag zegde mij, dat gij zich liever aan poëzie wilde wijden.

Uw Rika

Sociëteit Minerva in 1856

Dick van Welzen, februari 2024

Vind je de wereld voos en vies,
de mensheid boos en dwaas?
Zoek dan net zo’n frisse bries
als die ik in de dagen blaas.
Geef ook elke dag een kus
zolang er leven is
aan je liefsten, dus
dichter, wees toch gis,
hef het hoofd én de kroes
zolang je maar kan: bruis!
Koester je artistieke roes,
mijd als de pest gruis en kruis;
alles heeft immers zo z’n prijs.
Want al wat komt en was,
om het even onwijs en wijs,
zal sneven, verkeert eens tot as.

De kaars heeft niet lang meer te gaan,
ik steek nu mijn broekspijpen aan

Dick van Welzen, januari 2024

Nooit morsen wij twee het te vieren leven
sloegen geen acht op nog te torsen kruizen
wij negen voor de klaverdrie, het streven
er slechts genadezessen uit te zeven
wie wacht ons om tien ‘s avonds in Vijfhuizen?

Dick van Welzen, december 2023

De zunne kwam gerezen
met winterse lastigheid,
met traagzaam ijsgekertel,
geen enkel onbegersde moldebuil
door horzelbies overrompeld.

Het dichterke, gepoeft met wappers
en van buitenwaardse ontederheid,
heeft het weer eens verbuisd,
gemingelmangeld in de zommer,
oh God, de wereld is een worstelperk.

Zijn hoppelend herte klopte
gelijk orgeltaal, te schielijk
en maar te zelden neuswijze,
wacht u de wederwijven, slechts
tijdworm is hun zwepend liefgetal.

In de wulgentronk schettergebek
gierende zwaluwen hingen in ‘t hoofdgewaai
eendlijk noodgevaart, ommentomme
’t koele gedaver van de winden,
driftiglijk hun zwervend vlerkwerk.

Zij staan wijsterwaster afgeprent
hemelstriepen in de locht, ontmooit
en ontmaakselt in hun schamelheid
en over de blootakkers voestert
malgemoed het kwelgediert.

Maar, achter de dwersdeur al
pinkoogt het maagdengroen
in het hofbeluik, waar wij nog dreupelen
van het krimpend alsemdrinken,
schompt het overstoffelijk brood.

Felle, doordronken meesterstreken
krakken ten halve afgewrocht
de schalkaard, de slapende botten,
het grimt ons in het gramme noorden
de smert des lijdens gemaagdekroond.

Mijn rijmdram wordt ooit mondsgemeens
ondanks doorkwetste lichaamsrampe
en zielgevaar, over de wereld wandlende
ik, de biddensmoede verzenvinder
zal nimmer van te dichten zwichten.

Duido Welzelle, november 2023

(Dick van Welzen)

12, bijna 13, ik was nog maar een kind,
opgetogen zagen we door opa’s ramen
dat ze ook deze winter terugkwamen,
gedragen door de gure noorderwind.

Lijsterbes verborg onze gevederde vrind
zijn roodkoperen kiel belichame
de ziel van lucht en aarde samen:
vertrouwd, maar onbegrijpelijk labyrint.

Nu zelf grootvader zie ik ernaar uit
dat ze weer eens komen aanwaaien,
mijn kleinzonen, ze tikken op de ruit.

Zoals de koperwieken, die snaaien
de bessen uit de hulst, verdiende buit
omdat ze mijn zilveren winter verfraaien.

Dick van Welzen, november 2023.