Dick van Welzen

Een jongen nog maar
met blote benen,
zelfs in deze wintertijd,
ik denk twaalf jaar
met een uilig brilletje
op een kansloze missie.

Hij zit uren op z’n bagagedrager
van een door de fietsenmaker
zwartgemoffeld rijwiel,
vanwege de kosten
in opdracht van zijn vader
uit vele delen samengeklonken
en bovendien nog op de groei voorzien
van schaamblokken op de trappers.

Verscholen achter het bosschage
aan de De Sitterlaan vangt hij soms
een glimp van haar achter het raam,
soms ook komt zij, blond en spichtig,
ik denk twaalf jaar, naar buiten
dan springt hij op z’n fiets, rijdt
voor de vorm een extra rondje
voor de lang voorbereide
o zo toevallige ontmoeting.

Nu een oude man, kwetsbaar,
met stramme benen,
ik denk vijfenzeventig jaar
met een uilig brilletje
op een kansloze missie.

Hij zit in z’n zwartgemoffelde voiture,
poetst de roestige herinnering op,
uit vele beelden samengeklonken,
staart uren naar het bovenhuis
even gelooft hij haar weer te zien
een schim daarachter het zolderraam.

Hij mompelt haar naam,
zocht die vergeefs in alle krochten
van het wereldwijde web
dan start hij de auto
en rijdt voor de zekerheid, speurend
naar een spichtig en grijzend blondje,
toch nog maar een extra rondje.

Dick van Welzen, mei 2022

Eeuwig zwanger gaan we van woorden, zinnen, dragen constant
als zangers nieuw geluid de wereld binnen, dragen gelijk bruggen
aan de belofte bij tot het steevast reiken naar de andere kant,
doch evenzeer duchten we de koorden die in onze ruggen
klauwen, juist wij poëten, die ‘s mensen levenslast over de bergrand
moeten sjouwen, o dichters, dát is de ons gegeven gewichtige taak,
door Eros, Ares en Thanatos, door elke god die ons het hart verbrandt
en ons tegelijk oplichten wil én verlichten voor deze goede zaak,
die ons gul moed en wijsheid schenkt voor onze schemelende hoederhand:
‘groene fee’, ‘oranjebitter’, ‘oud bruin’, ‘wit bier’ en ‘gulden draak’,
zo kleuren wij de ‘de zevende hemel’ in en redden fier ons moederland.

Dick van Welzen, 7 maart 2022

men moet z’n tuin huizenhoog behagen,
alle droogstoppels zo ongezien verbloemen
men moet wild- en kreupelgroei verdoemen
en hele volksstammen tot brandhout zagen
want spoedig zal het winter zijn

laat zeker toch uw laatste steunpilaren schragen
zie nieuwe plagen laag-bij-de-gronds vertakken
men moet de Japanse duizendknoop doorhakken
en tegelijk klaplopende spotvogels verjagen
want spoedig zal het winter zijn

men moet desnoods een kruiwagen durven vragen
ga dan naar binnen, voldaan in ‘t schemerend uur
om de tuinman en de dood bij opgerakeld haardvuur,
beter nog, de dood of de gladiolen voor te dragen
want spoedig zal het winter zijn

Dick van Welzen, november 2021

Een uitvoerige inleiding met 20 bijdragen over wandelen door de eeuwen heen van de hand van Dick van Welzen. Van Aristoteles tot Albert Einstein en vele anderen.

Lees het online of download het bestand (PDF)

daar waar steen niet is wuiven
blad en hand samen, zo vaak al
zat ik op de bank van de rivier
schijnlijk aan het einde
van dit pad naar ’t Zandgat
ik kwam om de nieuwe herfst
te ruiken bij het breken van de ochtend

daar waar het uur zich niet versnelt
duiken dieren, liet ik in deze uiterwaarden
wereld steevast naast mij een plekje vrij
is leeg altijd een gemis? het gat
in een donut, ook de opening
van een meisjesring dienen hun doel

daar waar het duister meelopertje
mij alleen bij zonneschijn volgt
om onttogen terug te keren van wie
ie nooit was om soms, heel soms,
naast me neer te strijken, nu nog
messcherp getekend, maar
onherroepelijk wachtend
op het verstrooide winterlicht
later

Dick van Welzen, oktober 2021