Dick van Welzen

Wat is een paard zonder ruiter, een hoed zonder hoofd?
nu alles geteld wordt is dat wat verschilt
en verder gaat ongeregeld goed
dat wij die aan elkaar plachten te lijden
mededogen achterlaten opdat men rustig
in een kamer zitten kan
want veel leger dan we vermoeden is de aarde.

Wat van elkaar verschilt wordt voor het vergeten
uitgemeten, statistisch uitgerekend
schaf de omtrek af, schaf het gemiddelde af
leef de delen zonder geheel, de orde van de dag
waartoe we overgaan bestaat niet
o, minnares van de verkeerde stemmen
we roepen elkaars namen.

We worden ontslagen van vreemde gedachten
dat een gemeenschap één moet zijn, hoe breed ook,
hoe wijdverklaard, we hoeven niet te weten
wat samen is voor een holte in de tijd
nu alles geteld wordt is dat wat verschilt
morgen melancholie en een verhaal
dat in dove dagen rijpen kan.

Dick van Welzen, 2017

De kroon op uw werk is een krans
voor teveel weerloze slachtoffers, doch
eens zal ik uw naam vergeten misschien.

Wij de onwetenden, die het afleerden
te leven met vraagtekens, met het vluchtige
dat zich vastbijt en vermenigvuldigt.

De verre haarden, die branden,
die wij alleen kennen van oude keizers
met de wind gebracht, in volle gloed.

Er zijn schuilkelders, kappen voor de mond
uw wereldwijde web bevecht het onze,
u regeert tot in de verste woestijn.

Het gehijg en de mens, tot ze zich
verenigen, zien we online in een mis
met drie heren en drinken weer teveel.

Wij, testlozen, kennen het echte antwoord
tegen plagen: schoonheid, bootsen
de grote meesters na met lappen en grime.

Draaien “Erbarme dich”, tot de buren bonzen
op de muren, geloven in verwarring dat wat is enkel
bestaat om de plaats van afwezigheid in te nemen.

De nieuwe tijd vergt een andere hartslag,
dagen die vragen om saamhorigheid, hoop
die z’n nieuwe kroon in waarde draagt.

Dick van Welzen

Mijn vrouw heb ik verlaten
heden mijn zoon
bij uw vader, uw moeder volbracht.

Gij zult zijn, vader
want gij hebt het nog in u
god, god, zie mij daar.

Vergeef mij
zie mijn handen
Waarom beveel ik in hun geest?
dorst, zeg ik voorwaar,
is het paradijs.

Dick van Welzen 2005

Jonge kerels hangen rond in het park. Ze huilen zelden.
Een oude dame is op een bankje neergestreken.
Elke dag komt ze hier om naar de vogels te luisteren.
Totdat die in de rui raken en niet meer zingen.

Anderen hebben gewerkt en gaan aan tafel.
Ze bidden zo nodig voor patat met kroketten.
Hun kinderen bezitten witte kasten vol speelgoed
en elke dag een schone zakdoek die ze vaak verliezen.

Mannen op leeftijd geven zichzelf een cabriolet cadeau
of een hottub, maar geen juffertje draait haar hoofd.
Anderen vertikken het zelfs hun baas te kussen.
Sommige senioren vouwen samen de bedsprei op.

Zoals de filosoof met de hamer reeds opmerkte
zullen zij die dansend gezien zijn voor gek versleten worden
door hen die de muziek niet kunnen horen.
Soms staan ze even stil voor de fotograaf.

Vrouwen van kleine gestalte worden in het gemeen
over het hoofd gezien door heren veel beter gekleed dan wij.
Dat we in hun dromen of in hun gesprekken voorkomen
mag inmiddels als onwaarschijnlijk worden aangenomen.

Er wordt dus contrair aan eerdere berichten
steeds meer melding gemaakt van datgene
wat doorgaat voor leven op deze hemisfeer.
Bewijzen stapelen zich op.

© Dick van Welzen

Het gas ontsnapt in boze bellen
er zit een grote scheur in m’n achterkant
u moet het maar niet verder vertellen.

Het gebint hangt krakend in bretellen
m’n beven is een teken aan de wand
het gas ontsnapt in boze bellen.

In de diepte voel ik de onderkruipers zwellen
ze trompetteren als een olympische oliefant
u moet het maar niet verder vertellen.

De hele handel hangt aan elkaar met jarretellen
de toestand raakt steeds meer brisant
het gas ontsnapt in boze bellen.

Ingezakt is ook het klokkenspel en
waar blijft de hulp van hogerhand?
u moet het maar niet verder vertellen.

Bovenal zijn het boeren die mij kwellen
in mijn villa op het platteland
het gas ontsnapt in boze bellen
u moet het maar niet verder vertellen.

Dick van Welzen