Dick van Welzen

Het was haast
overdreven waar
winden uit het oosten
de slecht gescheperde
maar puntdichte wolken
in volle hemelvaart
grenzeloos opjoegen
en bij wijze van spreken
in de hazeblote lucht
vlugschriften schreven
en dichtten voor de volken,
voor de ontheemden
die in groten getale
vluchtten en het veld
ruimden van mijnen
het daagt in het oosten,
het licht overal, waar
onweer kraakte gelijk
ratelslange nachttreinen
weg van het slachthuis
uit het onland naar hier
verreweg van de onmens
die in het oosten
de brand stichtte
is het haast
overdreven waar
het avondland zo laat
ontwaakte, nu een scherpe
grens trekken moet, maar
in het oosten niets nieuws,
berichten van schier overleven
tussen doodgewaande woorden
maar waar weerloze waarden
niet voor tirannen zwichten
en geen tijd van de wereld
vlugger passeert dan vandaag.

Dirk van Welzen, mei 2024

Was het echt zo heerlijk om te verdwalen
al sling’rend langs onze liefdes’ wegen
en hoe eerlijk zingen dan nog uw verhalen
dat u mij geriefde, zelfs in de winterregen?

Was het echt begeerlijk kussen te halen
waar mijn hoofd reeds deerlijk nedergelegen,
terwijl u de elders verwekte donderstralen
onze hele echt voor mij had verzwegen?

Was het zo verkeerlijk toen mijne journalen
schreven van ontveerlijk verlangen, verkregen
in onze barre gangen over bergen en dalen,
kwamen we daar vooral elkaar maar tegen?

Was het echt een bezweerlijk samen falen
waar u mij toch eerstlijk zo leek toegenegen,
maar altijd mijn doen en laten wist te bepalen?
Op onze levenstocht rustte praal noch zegen.

Was het echt onontbeerlijk zo uit te halen
naar mijn lievelingsbeesten die u kleinkreeg en
die eigenlijk onverteerlijk in glijdende schalen
tot het hemelse gerecht zijn opgestegen?

Was het echt niet te bekeerlijk al mijn kwalen
zo breed uit te meten met uwe oorvegen,
ja, ik wil best wel de veerman voor u betalen,
maar… wie zal ten lest onze liefdes wegen?

Dick van Welzen, april 2024

Twentol
Vandaag liggen hier de sluizen over het Overijssels Kanaal
die helemaal niets weten van de vroegere brug, van het verhaal
waarin een knokploeg deze bewaken ging in die laatste oorlogsdagen
om te voorkomen dat de bezetter de Canadese opmars zou vertragen.

Met de bevrijding al in zicht, het was wellicht een te vermetel plan
nauwelijks bewapend en klein in getal – eigenlijk zonder kans –
verschanste de ploeg ze zich in Twentol, de nabije smeeroliefabriek
de tot dan machtige mof toonde zich ook in de finale zeer fanatiek.

De groepsleden waren merendeels ‘Koloniale Landbouwschool’-student,
vijf man, later meldden zich nog twee en een koerierster present
maar de dag daarop explodeerde toch de reeds ondermijnde brug:
de verzetsstrijders konden niet meer naar de binnenstad terug.

Met de fabriek pal in de vuurlinie stapte een Duitse soldaat,
op onderzoek binnen; ze waren op hun post, stonden paraat,
schoten hem in z’n been en te goeder trouw lieten zij, als hij
beloofde over het voorval te zwijgen, de verwonde vijand vrij.

De soldaat evenwel brak z’n woord, dus beval de Ortskommandantur
dat zonder uitstel het gebouw, vol met olievaten op de vloer,
door een patrouille omsingeld moest en beschoten; de hel ontbrandde,
direct vielen er twee van hen die dapper Twentol bemanden.

Eén lid van de knokploeg slaagde erin het gevecht te ontvluchten,
springt in de IJssel, gedekt door de zwarte brandluchten;
opgepakt, in looppas, werden de andere mannen en de vrouw,
het geweer in de rug gezet, over de Mr. de Boerlaan gedouwd.

Gehaast zijn, in een speeltuintje aan de Snipperlingsdijk waar
nu het monument staat, de jonge helden standrechtelijk openbaar
en tezamen geëxecuteerd; vlak daarna, in geen drie kwartier tijd,
arriveren op die 10de april 1945 de Canadezen, Deventer wordt bevrijd.

In open kisten lagen de vermoorden in de Lebuinuskerk opgebaard,
de gruwelijke foto van Corrie – bijna Sneeuwwitje, niets bleef haar bespaard –
ging de wereld over en duizenden kwamen naar het ceremoniële afscheid,
een trieste uitvaart – schril, want tegelijk vierde de stad z’n herwonnen vrijheid.

Voor Corrie Bosch en haar man Jos van Baalen, omwille van óns omzien
in eerbied, zijn ter hoogte van haar ouderlijk huis bij Sallandstraat 14
twee struikelstenen ingegraven; ze werden slechts 19 en 22 jaar oud
en waren samen, toen zij hun leven gaven, pas twee weken getrouwd.

Dick van Welzen, 2024

Opperdepop, de liefde is nog lang niet op
sapperdeflap, knapperdepap zette al z’n zinnen
op een jonge huppeldepup, met kriebeldebiebel
van binnen en hodeldebodel in z’n kop.

Hieperdepiep, de liefde is nog niet uiterdepuit
z’n slingerdeslang ikkerdekik, ze smelten de kazen
maar de reutemeteut spreekt over die zuipschuit,
daar heb je het rinkeldekinkel al in de glazen.

Men sabbeldebabbelt van retteketet
over die oetepetoet en hoeperdepoep
zat op de stoep, kom laten we vrolijk wezen,
sla verdomme rommeldebommel op je trommel.
wel ja – al weer een flesje wijn, slobberdedobber
en knapperdepap zat op de trap, kom laten we vrolijk zijn.

Dick van Welzen, maart 2024

Slechts éénmaal heb ik u gezien, gij droeg van die zeekren sjaaltjens
en waart gezeten in Minerva, sociëteit in den sleutelstad Leiden,
u schudde uw engelachtige lokken, at een schaaltjen garnaaltjens
ik zag u door het vensterraam, een ‘Io vivat’ voor ons beiden?

Onderwijle speelde het stadhuiscarillon zaalge choraaltjens
onze kennismaking kon niet korter zijn, zouden we gaan rijden?
want u keek net op, schreef een van uw triestige verhaaltjens
ik wilde met u de diligence in, naar Kattik, trachtte u te verleiden.

Met mijn diepblauwe ogen en mijn borstjens, die brutaaltjens,
van de Breestraat naar het Badhuis, om samen de zee ver in te schrijden
over water lopen moge ook; vertel mij: waar staan daartoe de paaltjens?
als wij, onze lippen vastgedrukt, elkaar uit dit tranendal gaan bevrijden.

Onze eindloze paden kruisen zich onder knet’rende bliksemstraaltjens
onheil paart zoo met ongeluk, de grimlachende ondergang onzer tijden
dan openen zich onder klinkende cimbaaltjens de hemelse portaaltjens
echter, uwe oogopslag zegde mij, dat gij zich liever aan poëzie wilde wijden.

Uw Rika

Sociëteit Minerva in 1856

Dick van Welzen, februari 2024