Dick van Welzen

Heel diep onder zijn perkamenten vel
wil hij nog weleens de drang bespeuren,
die onstilbare trek om elk vreemd plekje
in m’n varkensnek te keuren of een wijnvlekje
op mijn wang. ‘Mijn wrattenzwijntje’ noemt
hij mij liefkozend, altijd weer op zoek
naar een zwerende vinger die klopt.

Ach, ik ben een sukkelaar met van die puspukkels,
een blozende blaar, een bloeder die nooit stopt.
De dermatoloog, dat loeder, zelf met verzakkend lid
voor een uitpuilend oog, een etterbuil, en altijd
met een reuze snee in z’n neus, jarenlang
goed besnoven, met witte schimmel berijpt.

Hij knijpt mij als een ouwe dief onheus
in de struiste puisten en rauw in de acne
want anders verlaat mijn lief mij al te gauw
voor een gladdere man, een elckerlijc
met gaaf gelaat. Mijn dermatoloog vindt
zo’n schanddaad eigenlijk dermate logisch!

Dick van Welzen, december 2020

Jij monet zonder lelies, ongeverfde
wij-watervrouwen, jij-groene beek kanoot
rozeloos en snijdt alle tulpen af van tokio
tot den haag hoor ik de wijzen uit het oosten
aanwaaien, jij hurkt op kleuterknieëntaal
en telt mee – de sterreblauwste leeuwenbekken
en ik reken je tot de 50, weet van 55 slechts,
bezoek het brugloos dodenpark in die jouw geest-
gelaten zonnezomer op een simpelsteen die altijd
nog taalt naar jij-liefste wij-samen

en ween je regenmatig.

Dick van Welzen, november 2020

De lentehemel bekeerde zich tot droogte,
bliksem en donderwolken zwegen,
dauw daalde zacht van heuvels hoogte
van waarachter maan en sterren stegen
in de deemster zong het bos een vilten lied
wij voelden het en… verbraken de stilte niet.

Het lommer mompelde wat Lina verontruste
Zij drukte haar borsten tegen de mijne
O kus, die eindelijk de vlammen bluste
van mijn lusten die zo kunnen schrijnen!
ik zwoer trouw, zolang ik ademen mag
aan jou, Lina en de natuur, voor alle dag.

Dick van Welzen, oktober 2020

Naar:

Liefdeszang

De lentewolk liet na te droppen;
het romlend zwerd wierd stom;
de dauw dreef langs de heuveltoppen,
waarachter maanlicht klom;
daar zong al ’t woud zijn avendlied!
Wij voelden ‘t..en..wij spraken niet!

Het lover ruiste-Lina trilde-
Ik sloot haar aan mijn borst!
O kus, die ’t eerst de vlammen stilde
van langverheelden dorst!
Ik zwoer, zolang ik aadmen zou,
Natuur en u, o Lina, trouw!

A.C.W. Staring

Ik denk
dus wij zijn
of niet te zijn
in dezelfde rivieren
stappen we
en stappen we niet
in het uur u
van über ich
zijn we en zijn we niet
de ander
vult direct de ruimte
met zijn blik, selfie-dichters
kijk naar je eigen!
ik word ik
in het aangezicht van
de anderen
zijn de hel
of de hemel
van de heteroniemen
van de eenzaat
Fernando de selfkicker
die zich verdeelde
op het scherp
van de gulden snede
over Alberto, Álvaro, Bernardo en Ricardo
en Philippo?
Philippo is heel anders
dan Fernando
heus die stapt niet
in zijn auto en rijdt
dan nog naar San Antonio

Dick van Welzen
september 2020

Wat is een paard zonder ruiter, een hoed zonder hoofd?
nu alles geteld wordt is dat wat verschilt
en verder gaat ongeregeld goed
dat wij die aan elkaar plachten te lijden
mededogen achterlaten opdat men rustig
in een kamer zitten kan
want veel leger dan we vermoeden is de aarde.

Wat van elkaar verschilt wordt voor het vergeten
uitgemeten, statistisch uitgerekend
schaf de omtrek af, schaf het gemiddelde af
leef de delen zonder geheel, de orde van de dag
waartoe we overgaan bestaat niet
o, minnares van de verkeerde stemmen
we roepen elkaars namen.

We worden ontslagen van vreemde gedachten
dat een gemeenschap één moet zijn, hoe breed ook,
hoe wijdverklaard, we hoeven niet te weten
wat samen is voor een holte in de tijd
nu alles geteld wordt is dat wat verschilt
morgen melancholie en een verhaal
dat in dove dagen rijpen kan.

Dick van Welzen, 2017

Aan het laden...