Dick Smeijers

thuis -en ik wilde eruit
buiten mistte het dicht
maar ik wist
ik ken hier de weg

de mist bleek dikker dan gedacht
en niet goed opgelet
niet goed gekeken
betrad ik onbekend gebied

ik vond er nauwelijks nog een pad
dat deerde niet
want niemand miste mij
en ik alleen mezelf

in een moment met minder mist
liep iemand mij langszij
ik keek op, verrast, verward
kwam waarheid daar voorbij?

een schampere schater was mijn deel
ik ben er niet
je hebt me niet gezien

flarden ontnamen me het zicht
ik struikelde en fluisterde
het is niet echt

maar uit de mist
een stille stem
dat heb ik niet gezegd

terug naar huis
met groeiend besef
dat ik nooit ten volle ken

thuis -in de spiegel
mijn gehavend gezicht
ik keek
ik zag
ik ben

Ger van Diepen, juli 2021

gekweld als ik was door mijn ernstige
maagaandoening nam ik een zonnebad

ik knapte er zeer (ultra) van op
kon mij weer vrijelijk bewegen tussen

de bedrieglijke, bleke kardinalen met
hun onfrisse praktijken her en der

mijn huid leek gearceerd met zwarte inkt
voorheen mijn tiara, nu een kalotje

net zo wit als mijn pauselijke haar of
wat daar bij de kapper voor doorgaat

wanneer ik daar eens in de zes weken zit
de kapster mij de les leest over haar tarief

maar ik ben eindelijk genezen van de knoop
in mijn maag die ik kreeg van de armoede

die wij moeten lijden op deze enige planeet
waar God ons mee heeft opgescheept. 

Louis Radstaak, juli 2021

Zou Eric Scherder weten waar
God zetelt in de hersenen?
Misschien in de frontale kwab
of dieper binnenin?
Daar waar herinnering het
op kan nemen,
tegen vergetelheid?
Of daar waar scans
haast niets meer zien
Daar waar de mogelijke zin
van het leven zit verstopt
of dichter bij besef van tijd
Misschien wel pal
bij het gevoel
Toch is de vraag verkeerd
Als God bestaat
dan is hij overal

Anna Wiersma, 1 juli 2021

Binnenkomen en weten
hier was ik ooit eerder,
iemand zal zeggen
daar ben je, ga zitten,
wij wonen toch in
hetzelfde verhaal.

Het ruikt er naar avond,
naar water op de dorstige
tuinen, papier verschuift
in de aangrenzende kamer,
de vuurtoren aan de rand
van het duin trekt lichtbanen
langs het balkon.

Mijn grazige weide: die kamer,
het vanzelfsprekend begroeten,
het licht uit de toren dat komt
en dat gaat, de opstijgende
geur van vochtige aarde.
Te weten dat het papier is
beschreven met een verhaal
voor mij van belang

en tot de cirkel weer rond is
in de aangrenzende
kamer bewaard.

Louise Broekhuysen, 2021

er hangen trossen druiven
bij roofdieren om de nek
trots stampen wat prooien
ze in blijdschap tot wijn

van lommerluiheid gonzen vliegen
achter toegeknepen oogleden
waar onze zwiepende staarten
wij buffels niet bij kunnen

op een straathoek een stomdronken
draak die tussen zijn drie koppen
een pul fris gistend witbier klemt

hij roept in koor dat schampere ruggenspraak
tussen ons lieden een en al lugubere humbug is
maar laat die zot eerst zelf eens beslissen
in welke keel straks het bier zal glijden
en welke de degen slikken zal

in het teneinde deinzende hoofd
reikhalzen aloude spinsels
naar een nabije toekomst
van evenwichtiger dwaling

zo neemt het stadsplein
de vorm van mijn vingerafdruk aan
waar men neerstrijkt tussen gebruis
en de bulderende hereniging van flanerende
dwazen die in het hart van de stad eindelijk durven dansen

dansen en zich op terrasjes met geschater van hun juk
ontdoen terwijl in de hoogte achter gevelpanden duidelijk dreigend

waaieren schuchtere zonnescherven
uiteen die zachtaardig en wazig geel
heel het plein zullen bezatten
om ons onder te dompelen in licht

Joost Golsteyn, 2021