Charles Matthijssen

Rond 1790, het najaar was al begonnen.
Het was ergens langs de Garonne.

Er was een edelman, vadsig, pukkelig en bleek
hij was de landheer in deze streek.

Hij was te lelijk voor woorden en krom en grauw
eigenlijk te lelijk als man, te lelijk voor een vrouw.

Zijn titel had toen nog enig gewicht,
zijn naam is te lang voor dit gedicht

Dit zeg ik met klem
het gedicht gaat niet alleen over hem.

Dit is ook het verhaal van man die Paul heette,
die door deze landheer voor altijd in de kerker was gesmeten.

Wat had hij gedaan? Wat had hij gezegd?
Was hij echt zo in en in slecht?

Z’n straf? U denkt, dan was zijn misdaad zeker niet klein,
echter deze strafmaat was bepaald door kinnesinne en venijn.

Paul is een deel van een echtpaar.
Hij en Antoinette houden van elkaar

De landheer is in eigen persoon de plaatselijke elite.
Antoinette trekt de stoute schoenen aan en brengt hem een visite

Ze spreekt op zachte fluistertoon.
Ze doet een voorstel ongewoon.

De vrouw van Paul, ja die Antoinette
Stelde de landheer voor ‘Ik ga met u naar bed,

als u mijn man zijn vrijheid terug zal geven.’
De landheer dacht na en twijfelde even.

Stiekem was dit waar de landheer op had gehoopt.
Dit was nooit gebeurd als hij Paul had opgeknoopt.

Terwijl ze sprak, bekeek landheer haar maten.
Zijn geile blik, ze had dat in de gaten.

Zij daagt hem uit
en trekt alvast haar bovenjurk uit.

En hierop, dames en heren
gaat de landheer uit de kleren

‘Maar’ spreekt Antoinette ‘voordat ik me volledig aan u geef
wil ik zien of mijn Paul nog leeft!’

In een hemd met ene sok gaat de landheer haar voor
met een blaker, is het trappen af en gangen door

en tree na tree na tree
wenteltrappen ze naar bené.

Het ging steeds dieper, lager dan verwacht.
Zij volgde hoewel zij hem veracht.

Tenslotte die trap, zeer zelden in gebruik
leidt naar een gang met aan het eind een eenzaam luik.

Met touwen en katrol trekt de landheer het luik open
Antoinette komt dichterbij, tot aan de rand gekropen

Dit net geopende luik
geeft toegang tot een stenen fuik.

En zij roept Paul en Paul roept haar
‘Liefje, liefje ben je daar?’

Bij het eerste streepje licht
ziet Antoinette Pauls gezicht.

Ze laat nu vallen haar laatste kleed
en maak zich tot de bijslaap gereed.

Maar dan! Is dat beter? Is dat slechter?
Ze schuift zich bij Paul in de kerkertrechter.

De landheer, geheel ontkleed, met de valdeur in zijn hand
staat, vol van geilheid en van twijfel boven aan de rand.

Zij beneden, weet, wat alle vrouwen weten;
een man kan nooit, een vrouw die hij net niet heeft gehad, vergeten.

Hoe gaat het nu verder met die drie?
Dat is geheel aan uw eigen fantasie.

. .

Ruim twee honderd jaar nadien
is van het kasteel niets meer te zien.

Op de plek waar het allemaal gebeurd moet zijn,
staat anno 2023 een toerist op een zonovergoten plein.

Het middaguur, de zon staat hoog,
het hemd bezweet, de kelen droog.

De toerist went zich tot de lokale ijscokraam
gerund door een uitbater van internationale faam.

De ijscoman vraagt: ‘Wat zal het zijn een hoorntje of toch een bakje?’
De toerist zoekt de creditcard in z’n borstzakje.

‘Een hoorntje met twee bolletjes graag.’
Is zijn antwoord op de vraag.

Terwijl er wordt betaald met plastic geld,
is het de hitte die de bolletjes versmelt.

Dit is wat u nimmer mag vergeten
dat, die kerker en dat ijscohoorntje hetzelfde heten.

Charles Matthijssen, januari 2024

Elke keer een kaars ontstoken, dat had de knecht
en daarbij een pen met voldoende papier gelegd.
Nadat elke bezoeker was binnen gestapt
had hij de deur achter hen dichtgeklapt.

Er waren zinnen vol wijs geschreven,
over zin en eindigheid van het leven,
aan innig geliefden en de naderende dood,
met een enkele keer een vrolijke noot.

Maar nu, de sleutel was kapot
de deur dicht en dat was rot.
Nu ja, rot? Het was meer onplezierig.
Want wat was er geschreven? Dat maakte toch nieuwsgierig.

Toen de deur dan toch openzwaaide
een vreemde geur naar buiten waaide,
zat de auteur daar onbewogen
over het papier gebogen.

Laat ik de luisteraar deze waarheid ontvouwen.
De schrijver had zich niet letterlijk, wel overdrachtelijk aan zijn tekst gehouwen.
Op het bladpapier zag de huisknecht staan
‘Als ik ben heengegaan . . . ‘

Charles Matthijssen, januari 2024

In Delft zie ik de helft van instant soep bij moeder in de koelkast staan.
Kan haar karige dieet niet verrijkt met soepballetjes in een blikje?
Dan denk ik ach, nee, zij zou het niet zien, wellicht snijdt zij zich eraan
Dat lijkt niet nodig, zij heeft de wereldoorlog ook doorstaan.
De bewaarde helft van aangelengde instant soep, het leest haast als een ikje,

Charles Matthijssen, december 2023

Parodieën op gedichten van Guido G.

De zinnen zijn zo mooi, zo mooi, vol klank en soepel rijm
dat elk’en dag, wij vragen ons af ‘Wat is toch uw geheim?’
geen en dag zal komen dat, wij zullen moeten vrezen
vergeten te zijn wat wij van u hebben gelezen.

– –

Den doofheid komt zo stil, zo stil,
zo traagzaam aangetreden
dat geen en weet waar of het geluid,
of waar zij is gebleven.
Het is stille en mij omtrent
is iets of iemand onbekend
die hardkens mij beroert en zegt,
‘Uw gehoor is oorverdovend slecht!’

– –

Gij schreef in blomrijke talen.
Gij schreef met dood doorleefd.
Mij groet het al te malen,
wat G. G. geschreven heeft

Charles Matthijssen, november 2023