Cees Leliveld

Dromend over wat ik in mijn leven
ooit nog schrijven zal,
verschijnt in mijn herinnering
die eerste zin
in onwillig schoonschrift neergeschreven
(dun op, dik neer):
Alcohol velt den sterksten man
(en dat veertig keer).
Is het dromen over schrijven?
Of schrijven over dromen?
Daarover verkeer ik nog in strijd.
Wel weet ik dat mijn grootse vergezichten
inmiddels ingehaald zijn door de tijd.
Dus ongezegd zal blijven
mijn verhaal van lijden en verlossing.
Maar, beste mensen,
wie zit daar nog op te wachten?
Gelouterd zal ik verder leven
wiser and sadder, zo u wilt.
Met een maandelijks bezoek
aan het intieme Vogeleiland
waar de aanwezigheid
van zoveel dichterlijk talent
wordt ervaren als een warm bad.
Die droom wil ik blijven dromen
en die droom heb ik hierbij opgeschreven.

Cees Leliveld

Arbeit Macht Frei:
Dat leek een harde waarheid
als je Auschwitz binnenging.
Maar, eenmaal door de poort gestrompeld,
bleek het voor zo talloos velen
slechts een wrede grap,
een meedogenloos verdichtsel.
Linksaf, dan vindt u onze douches!
Die Wahrheit mocht je wel
een verstikkend staaltje Dichtung  noemen
als je stuiptrekkend crepeerde in het gas.
Duitsland is een land van dichters,
althans, zo luidde altijd het gezegde.
Zou het daardoor komen dat hun Wahrheit
zich zo moeiteloos vervlechten kon
met Dichtung?
Laatst nog las ik het bericht
dat drie hoogbejaarde kerels
in Duitsland waren opgepakt:
festgenommen zum Verhör.
Kampbewakers waren het uit Auschwitz
met de lijkenlucht nog in hun kleren.
Je zult de Wahrheit uit hen moeten slaan
want zij zullen vluchten in hun Dichtung:
Ik ben te oud, te ziek, het is zo lang geleden,
ik wist niet beter, deed alleen mijn plicht.
Persoonlijk had ik niets tegen de Joden,
maar ja, in de verkeerde hoek van de geschiedenis!
Zo is de waarheid eeuwenlang gemaltraiteerd
en ons als verdichtsel opgediend.
Hoewel,  er is nog hoop
als je de Duitse radio beluistert:
Meine Damen und Herren,
die genaue Zeit:
Es ist jetzt zehn Uhr.
Dat is de waarheid
en niets dan de waarheid
daar is geen woord Dichtung bij.

Cees Leliveld

Als het lente wordt in Deventer,
moeten we vooral niet sentimenteel gaan doen
over jonge eendjes en tere, groene scheuten.
Kom op zeg! Het is wel 2014 hoor.
Maar dat het lente wordt is onmiskenbaar.
Het goeie ouwe Deventer rekt zich eens uit
en komt licht krakend overeind,
warmt zijn stramme leden in de lentezon.
Mevrouw de Jager staat heupwiegend voor de spiegel
en denkt: die rok is wel te kort maar ik doe hem aan!
Ik heb vandaag echt zin in ruimtelijke ordening!
De IJssel stroomt met nieuw elan
haar spiegelende toekomst tegemoet.
En bij het aloude NS station
wordt hard gewerkt aan een nieuw perron.
Jammer dat het water weg is
maar er komt iets moois voor terug.
Althans, dat beloven ons de borden
met drommen blije mensen,
opgewekt op reis van en naar de Hanzestad
die zich weer opmaakt voor een lange, hete zomer
met uitpuilende terrassen op de Brink.
Maar eerst vieren we de lente!
Schattig hè, die jonge eendjes
en die tere jonge scheuten,
je kunt nu echt zien
dat het in Deventer lente is geworden.

Cees Leliveld

Altijd, als ik duiven hoor of zie,
gaan mijn gedachten terug
naar de dagen van Gert Timmerman,
innig verstrengeld met zijn Hermien.
Alle duiven op de Dam
maakten zij onsterfelijk
met hun teedre samenzang.
Dat waren nog de dagen
van shalalie, shalala.
Kom daar nu nog maar eens om!
Als een zingend paartje tortelduiven
trokken zij door stad en land.
Gert, donker koerend,
de trotse krop vooruit gestoken,
Hermien, zacht kirrend,
het kopje liefdevol gewend naar Hem.
Heel Nederland lag smachtend
aan hun borst,
hun duivenborst
met goud en platina bekleed.
Neerland’s oudjes, in hun schommelstoel
konden weer trots zijn op hun grijze haren.
En ook de Heere
werd door hen veelvuldig aangeroepen
tot troost en steun van hun gehoor.
Helaas heeft ’s levens lot
dit ranke duivenpaar ontkoppeld.
Hermien rust eenzaam en verlaten
onder een simpele, grauwe steen.
Gert probeerde nog wel op te vliegen
maar zang en dans waren voor hem
niet langer weggelegd.
Dus, als u duiven hoort of ziet,
denk dan nog even
aan dit dart’le tweetal terug:
als in hun beste dagen.

Cees Leliveld

Aan het einde van de jaren vijftig
betrad ik voor het eerst
het Gymnasium Haganum in Den Haag,
om daar, in de avondlijke uren,
tot leraar Frans te worden opgeleid.
De marmeren bustes in de hal
brachten mij tot het besef
dat ik slechts aan het begin stond
van een lange, lange weg.
Het leraarschap was in die tijd
nog een positie met aanzien en respect
en ook vrij ruim betaald.
Zo droomde ik van een aangenaam bestaan
met kennisoverdracht en educatie
aan welopgevoede, leergierige  jonge lieden.
Mijn dagen en mijn boekenkast
zouden gevuld zijn met welluidend proza
en gevoelige gedichten
in de Franse taal die ik,
voetje voor voetje,
tot de mijne moest gaan maken.
Vele uren heb ik geworsteld
met grammatica en idioom
totdat ik na een drietal jaren
moest besluiten deze lier
in de daarvoor bestemde wilgen
een zonnig plaatsje te geven.
Schoolmeester ben ik dus
niet geworden.
En ook geen francofiel,
maar dat was ik toch al niet.
Toch heb ik later van mijn kennis
van het Frans
nog wel plezier gehad
en ook vrij ruim betaald.
Over rozen is mijn pad
zeker niet gegaan
maar de doornen van het onderwijs
zijn mij wel bespaard gebleven.

Cees Leliveld

Nous entendons
un violon
dans la nuit.
IJle klanken in de nacht
vervoeren ons
tot dromerige mijmering.
Helaas!
Ik moet uw zoete euforie doorbreken
vanuit een bitt’re werkelijkheid.
Het is in klank gestolde wanhoop
van een werkloos geraakte Zwarte Piet.
Chômeur geworden!
Uitgestoten
Door een stel
politiek correcte idioten.
Zelf was ik ooit,
in een alweer ver verleden
een meester
in het être et avoir.
Maar daar is tot mijn spijt
door verruwing van de zeden
al lang geen vraag meer naar.
Nous entendons
son violon.
Weeft ijle klanken
in de nacht.
Omlijsting
van onze passé defini.
En daar is
geen woord Frans bij.

Cees Leliveld

…..Is men het, vervolgde mevrouw, dan is men het ook,
maar is men het niet, dan is men het ook niet.
…..En wordt men het ook niet, voegde haar man er aan toe.
…..Als men het is, kan men ook gerust zijn
want men is het.
…..En blijft het ook, meende haar man.

Erik………..Eeeeerik!……………………………..Eeeeeeeeeerik!!!
Huh?
Ja, jij daar!
Zit je alweer te lezen?!
Leg dat stomme boek eens weg man.
Waarom speel je nooit eens buiten?
Kijk die andere jongens nu eens
leuk met elkaar bezig zijn.
Vorige week heb je ook al
een boek (of misschien wel twee) gelezen.
Dat kan toch zo niet doorgaan.
En, waar gaat dit boek
nu weer over?
………………..Insecten?
Heb je daar nu
een heel boek voor nodig?
Als je insecten wil bestrijden
haal je toch je informatie
bij de plaatselijke  Doe Het Zelf Zaak?
………………..Wat zeg je?
……Het gaat over een jongen?
(net zo’n tiep als jij)
en die wordt zelf
ook een soort insect?
Jezus Mina!
Het moet met jou
toch echt niet gekker worden!
Zet die onzin uit je hoofd
en ga je vader helpen
met een karweitje
in de tuin.
Dan kom je eens
een keertje buiten.
En doe je ook wat nuttigs
met je handen
of een stuk gereedschap.
Een echte kerel
ken niet zonder Gamma.
Kan niet zonder Gamma!
Dat zeg ik
Gamma!

Cees Leliveld

Zo luidt de onheilszwangre tijding
die ons via coole glazen vezels
en achterlijke, ouderwetse ethergolven
this very evening heeft bereikt.
Holy cow!
Het zal onze Willem toch niet wezen?
W.A. van Buren, gelauwerde
IJsheld van de Friese Elf Steden?
Als evenwel een schip de grond kan raken
of een vliegtuig, in een crash
waarom dan een monarch niet?
Onze Willem Alexander aan de grond!
En nog maar net begonnen,
de slingers ook net weg.
Een hoogvlieger zou hij niet zijn,
zo luiden de verhalen.
Maar wel in snelle vlucht
zijn gouden wings behaald,
fraai afgetekend
op het onderliggend donkerblauw.
Hij zal toch niet…….
het tragisch beeld van Icarus
wil voor ons oog niet wijken!
De onheilstijding zal grondig
moeten worden nagelopen.
Het volk spoedt zich nu al
in opperste verwarring
naar het Paleis Noordeinde,
om daar verhaal te halen.
Willempie, hoor je overal!
Willempie, ’t is een raar geval!

Ach, was Andre nu maar hier,
Van Duin bedoel ik.
Om dit lied uit volle borst
ons krachtig voor te zingen!
Maar, wie zien wij daar nu,
als opgedoken uit het niets
in scherp gesneden koningsdracht
op het balkon verschijnen?
Met de licht gebruinde, blond gelokte,
fraai gevormde Maxima?
‘t Is Willem-Alexander,
zo waar als ik hier sta!
Des volks noodkreet kwam tot hem,
zijn oor was niet des dovemans!
Hier ben ik mensen!
roept hij unverfroren
tot het huiverende volk.
’t wordt wel wat fris vannacht
maar daar ken je je op kleden.
laag bij de gronds zijn wij toch niet?
Dus als u het niet erg vindt
ga ik de zaak hier sluiten.
Ik wil ook wel eens naar bed
en wel met uw vorstin.
Kom nog eens langs,
’t was hartstikke gezellig!
De armzwaai, de gulle lach
Ten afscheid.
Dank oe wel, fluistert nog
de licht ontroerde Maxima.
Een traan blinkt in haar oog.

Cees Leliveld

Macht is in dit land
een beetje een vies woord.
Nou…..een beeeetje vies?
zeg maar gerust obsceen!
Die goeie, ouwe, zwaar besnorde Nietsche
heeft zijn mooie, dikke boek
niet voor ons geschreven:
Der Wille zur Macht.
Daarvan willen wij niet horen,
dat schrikt ons af,
want niemand is hier machtig.
Men mompelt vroom iets over invloed,
goede gesprekken achter de coulissen.
Maar praal? Praal me daar niet van!
Bij ons zit praal alleen maar in pralines
(en dan ook nog van die Belgische….),
als praalhans sta je d’r niet best op!
Toch zijn er hier nog wel wat machten,
zoals de luchtmacht en de landmacht…
Maar die mogen ook niet pralen
met hun nieuwe wapentuig.
Nou, de zeemacht dan?
die noemen we Marine,
Koninklijk nog wel!
Net als te land en in de lucht.
Maar daar wordt ook het ene
na het andere schip verpatst!
Ja beste mensen, er valt
niet veel te pralen in NL.
Maar, pruilen doen we ook niet,
al wordt het ons soms te machtig.
Vroeger had je nog het Socialistisch Strijdlied:
Aan U, o Volk, de zegepraal!
Moge dit gedicht u aan het denken zetten:
praal onbekommerd met uw dichtkunst.
Want….gansch het raderwerk valt stil,
Als uw machtige pen het wil!

Cees Leliveld

De zomer komt, in lome golven aangerold
En neemt bezit van boom en struik
Van stad en land
En vast besloten nooit meer weg te gaan.
Augustus (hij die geroemd wordt)
Sluipt op kousenvoeten naderbij.
Hij lost Juli af,
Zijn zusje, de lichtvoetige.
Hoewel zijn rijk oneindig lijkt
Vreest hij de komst van neef september,
De onberekenbare.
Die kille regen stuurt of zonneschijn,
Al naar het hem belieft.
Maar voorlopig schijnt nog de augustuszon
En kleurt de bessen, rood en zwart,
Verwarmt het bladerdek, zwaar in overhang.
Augustus, stralende heerser der seizoenen,
Blijf lichtend op ons pad
Als wij door herfst- en winterstormen moeten gaan.

Cees Leliveld