Twaalfenhalf jaar

Al klauterend door het nauwe trapgat
verenigt zich het gezelschap
elke maand verwachtingsvol
in het zinderende zolderhol.
Na de eerste dronk verheft een nestor
zijn stem, kondigt hemelbestormers aan,
verspreidt de tekst.
Stilte sereen als vers gevallen sneeuw,
vervult de ruimte, terwijl de dichters
woorden laten dwalen, strofen laten
stijgen en dalen als luchtballonnen.
Boven hoofden cirkelen mystieke metaforen
die plots inzicht geven of betekenis
weven die telkens verglijdt
en evenals de tijd ongrijpbaar blijkt.
In verwondering blijven versregels
deinen in de dichtersbreinen.
Soms kleurt klaterend applaus het plafond
of knikt een blik van begrip en ontzag
in dit warme nest van gelijken.
Na voordracht komt het avondmaal,
ontspant de boog en achter wijnglas
waant elke poëet zich bijkans onsterfelijk
in deze Zevende Hemel met koperen glans.

Bertje van Delden