Bertje van Delden

Ik spit de grond,
gooi het laatste nieuws om,
invasie, bezette stad, burgerdoden,
hark gedroogde stalmest erdoor en erover.
Omsingeld land, bombardementen,
nog een rij, één spade diep is genoeg,
kerncentrale in handen van vijand.
Woedend wroet ik door,
vluchtende vrouwen met kinderen.
Denk aan mijn vader, niet oud geworden,
zijn ingehouden emoties als
ik naar vroeger vroeg,
het zwijgen met angst in de ogen.
Doorwerken, niet opgeven,
wormen woelen zich naar boven.
Tussen verwoeste flatgebouwen
zijn haastig greppels gegraven,
mijn honden waren beter af
met hun eigen graf achterin de boomgaard.
Het spitten schiet op, nog één richel
en de bedden liggen gereed.
Raketaanvallen, rode knop?
aan de volgende fase wil ik niet denken,
veel pootgoed aanschaffen,
kan ik het gewas delen.

Bertje van Delden, maart 2022

Ik trek vandaag mijn mosjas
aan zei de eik, tegen de regen
is hij goed bestand, de berk knikte
instemmend, staat je goed
beste buur, ik houd het bij mijn
visgraat, wel zo vertrouwd en
hierin word ik niet koud.
De Douglasspar keek wat zuur,
tussen zijn uitgegroeide schubben
gaapten gaten, mijn coat is
schimmelgevoelig en mint getint,
gispte hij maar ik heb mijn naalden nog
en jullie zijn kaal en lelijk zonder blad.
Ik heb alleen nog groenbonte sokken grapte
de stokoude vogelkers, geen jas die
me nog past, van de bodem klonk
donker gemompel, ach binnen korte tijd
zijn jullie allemaal een kleurrijk tapijt.

Bertje van Delden, februari 2022

Links en rechts een kopje gevend treedt hij binnen,
schrijdt statig naar zijn verheven zetel
waar hij zich behaaglijk neervlijt na wat gewentel
om aan een uitgebreide wasbeurt te beginnen.

Vanaf zijn uitverkoren positie kan hij heerlijk spinnen,
maar zijn ogen vernauwen zich soms razendsnel,
hij krabt direct, blaast leugenachtig fel, maakt echt een rel
als een huisgenoot zijn plek wil winnen.

Na 11 jaar eisen de kamerleden onverbiddelijk mijn vertrek,
geen haar in mijn vacht zal zich daarbij neerleggen,
het pluche van deze stoel voelt te comfortabel.

Dit blijft voorlopig nog míjn presidentiële stek,
alle tegenstand kan ik met een formidabel argument weerleggen
want let op, het betreft hier een sonnet en zeker geen fabel.

Bertje van Delden, november 2021

Naar buiten, been naar voren, afzetten met andere voet,
voortgaan met bewegen, stap na stap,
ruimte creëren, langs akkers jakkeren, bospad in.
Dit lopen is geen wandelen, te liefelijk woord
-met een zweem van genot of flaneren –
voor deze drang van voortstuwen;
afstand overbruggen is een betere term.
Vooral doorgaan, desnoods bomen tellen of de passen
tussen de stammen, het zand onder je zolen
weg laten glippen om het echte wegglippen vóór te zijn.
Nee, niet benoemen, doorgaan met voortjagen.
Verdring gedachten, druk ze weg in de grond,
nee, niets regelen over ter aarde bestelling.
Volg het pad, stamp de kluiten plat,
IJsberen in het bos, maar dat is klimaatcrisis
toch groter probleem dan deze zenuwinzinking.
Wat betekent een mensenleven op de geologische tijdsbalk?
Een blad dwarrelend van een tak, nog even wiegend
op de wind, een muggenpoepje op de muur
weg te poetsen met een nat doekje.

De lucht krimpt tot onrustbarende grijze partijen.
Nee, geen gegoochel met De Romantiek over
weersgesteldheden en snikken op het graf,
geef mij maar De Verlichting, verlichting van
dit ongrijpbare fenomeen dat de keel dicht knijpt,
woest woekert door maag- en buikstreek,
het denken verstikt sinds het bericht:
“Wij bellen U tussen 2 en 4 voor de uitslag.”

De voeten veren nog, niet glibberen nu, niet uitglijden,
niet verdwijnen in de plas, hoe aanlokkelijk ook.
Vooruit kijken, gemiddelde staplengte van 70 centimeter
vertelt de stappenmeter, die hoef ik niet te tellen zelfs niet de dagen,
dat doet de agenda vol geroosterd met onderzoeken.

Een zachte zoem op mijn huid, het is donker tussen de stammen
van de sparren, geritsel klinkt door de mobiele tril,
een spatje licht glinstert terwijl mijn hand verstart,
weerspiegelt een verschrikte blik mijn gierende paniek.

Bertje van Delden, oktober 2021

Nog nooit straalde de magnolia zo purper
en wit in het heldere lentelicht,
waren de narcissen ineens zo geel en met zoveel,
de tulpen zo aanlokkelijk voor het selfiepubliek.
De bloesems van de fruitbomen voorbodes
voor vruchtbare tijden, de bloeiende meidoorn
een hoopvolle verwijzing
naar een maand met meer vrijheid.
Nog nooit zag de hemel zo streeploos blauw
als deze maand april vanachter glas,
rook de lucht zo kruidig als het briesje wind
door de openstaande tuindeur.
Nog nooit zongen de merels zo zuiver,
maakten de mezen elkaar zo onstuimig het hof,
nam de roodborst zo uitdagend bezit van een boom.
Nog nooit ruzieden de kraaien zo luid alsof
ze met hun schrille kreten
schaterlachen om ons gemis.

Duiven schuifelen zonder schroom
over terrastafels, drinken uit één kop.
Mussen badderen gezellig samen in de goot,
meeuwen bevolken pikkend de markt.
Zwaluwen zwenken en zwieren al was
de wereld één dansfeest en wij de domoren
die binnen zitten.

Nog nooit
was het leven ons zo lief
en de dood zo ongrijpbaar dichtbij.

Bertje van Delden