Bertje van Delden

Waarde oprichters en mededichters van dit op dorstige geesten beluste poëziecafé.

Op de valreep besloot ik om een brief op te stellen om jullie op de hoogte te brengen van mijn opschrijfproces rondom de opdracht op om zo op te helderen waarom deze literaire vorm een betere oplossing is voor mijn bijdrage dan een snel opgehoest vers. Bovendien kan de briefvorm in deze digitale, opgewonden tijd wel een opwaardering gebruiken maar dat terzijde.

Ik wil hierbij opbiechten dat er een oproer in mijn hoofd krioelde van opstandige gedachten en dat het me veel moeite kostte om mijn mouwen op te stropen om iets zinvols over op op papier te zetten. Toch wilde ik niet op de vlucht slaan en zeker ook niet mijn ongenoegen opkroppen, vandaar dit schrijven.

Is het op zijn minst niet opvallend dat in deze tijd van opportunistisch individualisme, waarin iedereen zich op X een Mozes op de berg waant die met zijn heilige geschriften de enige juiste geboden opeist, ons opperbestuur ons opzadelt met het voorzetsel op?! Hoe dan op …..en ook nog eens waar boven op ……….. Waarom wordt op op zo’n prominente plaats gezet?

De voorkeursplek van op dient toch slechts om iemand weer eens op het schild te hijsen of om het ego op te poetsen?! U hoort het al, U vindt in mij een enorme opponent van deze prepositie en ik doe bij deze een oproep aan onze nestors om zich niet te laten opjutten noch opslorpen door de huidige oppervlakkigheid.

Omdat ik niet al te hard tegen U wil optreden en ook niet voor te veel opschudding wil zorgen probeer ik U op andere gedachten brengen. In mijn optiek liggen er genoeg andere onderwerpen voor het oprapen. Wat dacht U van de oppositie van op namelijk onder? Of roept onder teveel nederigheid bij U op en past dit woord wellicht net als onopvallendheid in de 19 e eeuw toen politici nog geen opzien wilden baren met allerlei opgeblazen oprispingen.

De ligging van ons Nederland waarin we in feite onder zeeniveau leven zal zeker invloed hebben op ons gedrag waarin we ons telkens weer moeten oprichten maar laten we ons niet oppompen tot een soort van opperwezens.

In alle oprechtheid vraag ik U, nestors, een pas op de plaats te maken. Ik wil nog graag opmerken dat het bestuur bestaat uit oplettende literaire deskundigen, die onze prestaties willen opschroeven maar op het hoogste niveau van op is er slechts één schrijver die optimaal kan schitteren en dat is Battus met zijn Opperlandse Taal- en Letterkunde.

Hoogachtend,

Uw nederige dichter Bertje van Delden, maart 2024

Slechts eenmaal heb ik je gezien. Jij reed,
gebogen over je stuur, in volle vaart
terwijl het asfalt onder je krachtige lichaam weggleed
langs mijn gerieflijke boerderij met open haard.

In die snelle flits ontsproot er in mijn hart
een loot van liefde want die knalrode racekledij
verpakte een goddelijk lijf, bolle kuiten zo hard
als staal, die spierspanning, oh wat ontroerde alles mij.

Och, waarom zag je mij niet op de oprit staan
tussen lentegroen en ontluikende narcissen
trillend van sensatie en zwaar aangedaan
omdat ik alleen nog naar je vurigheid kon gissen.

Stiekem hoopte ik op een onfortuinlijke valpartij;
de straat die plots door een vallende tak werd versperd,
een wiel dat in de berm zich vastreed in natte klei……
en hoe ik dan ineens Florence Nightingale werd.

Mijn knusse stulp toverde ik om in een veldhospitaal,
waar ik je wonden toegewijd zou verplegen,
je bij het knappend vuur fêteren op wijn en feestmaal
om daarna in elkaars armen te verdwijnen met Gods zegen.

Bertje van Delden, februari 2024

Parodie op: Aan Rika van Piet Paaltjens uit Snikken en Grimlachjes

Zoveel nog te willen, zoveel om van te houden,
zoveel nog te vertellen maar mijn tijd
is vluchtig, dwingt mij tot woorden die
buiten zinnen nog eenmaal vlammen
voor ik zelf vlam vat.

Laat me vertellen over het niemandsland
van huis naar school en weerom
waar ik het liefst woonde,
over de begroeide bermen uit mijn jeugd
die beschutting gaven tegen onweer
buiten, binnen.

Wist je dat
de zuring en het madeliefje naast elkaar
groeien, beide eetbaar zijn,
ik een eigen kamer met rood zeil begeerde,
tijdens dansles nylons verplicht waren?
Losse draden trekken ladders
in mijn herinneringen,
de loze gaten ontbloten paniek.

Zal ik je nog vertellen dat
hartstocht bijna rimpelloos
overvloeit in weemoed,

het landschap kaalslag en groei
schildert en ik afschuw en ontroering klei,
rivieren voortrazen langs scherpe rotsen
en de oevers van het rietland strelen
op weg naar zee,
vrede voorbij verlangen en verlies reikt…..

Te veel woorden, te grote woorden.

Maar ik wil je bovenal vertellen
dat ik het leven, mijn lief,
dat ik het leven liefheb.

Bertje van Delden, januari 2024

Een vogelaar bij de Onderlaatse Laak
spotte vele kraanvogels in de lucht.
Onder luid geroep daalden ze plots lukraak
en landen voor zijn camera als op afspraak.
Hij schrok heftig en sloeg zelf op de vlucht.

De toerist wandelt over het brede strand
en houdt ondertussen een kort betoog
over de schoonheid en zijn innige band
met dit hoog gelegen stukje Nederland.
Zijn hart is verpand aan Schiermonnikoog.

Hoe heerlijk is het wonen in deze stad
met de rijke huizen van de bourgeoisie
aan de markt, een eeuwenoude boekenschat
in de kerk, en voor velen de bakermat
van hun levensvisie: de antroposofie.

Bertje van Delden, december 2023

Al klauterend door het nauwe trapgat
verenigt zich het gezelschap
elke maand verwachtingsvol
in het zinderende zolderhol.
Na de eerste dronk verheft een nestor
zijn stem, kondigt hemelbestormers aan,
verspreidt de tekst.
Stilte sereen als vers gevallen sneeuw,
vervult de ruimte, terwijl de dichters
woorden laten dwalen, strofen laten
stijgen en dalen als luchtballonnen.
Boven hoofden cirkelen mystieke metaforen
die plots inzicht geven of betekenis
weven die telkens verglijdt
en evenals de tijd ongrijpbaar blijkt.
In verwondering blijven versregels
deinen in de dichtersbreinen.
Soms kleurt klaterend applaus het plafond
of knikt een blik van begrip en ontzag
in dit warme nest van gelijken.
Na voordracht komt het avondmaal,
ontspant de boog en achter wijnglas
waant elke poëet zich bijkans onsterfelijk
in deze Zevende Hemel met koperen glans.

Bertje van Delden