Bertje van Delden

Dauwtranen druppen langs het raam,
ademloos stil ligt het land, penselen
sluimeren, kleuren dommelen
in de ochtendnevel.
Achter haar het donkere wolkenveld
van omgewoelde lakens, getuigen
van een trage nacht, ongedeeld.

Wit en geheugenloos staart de dag
haar aan, een vleug beweging waart
door sluiermist als plots een haas
zijn lepels spitst.
Een groet van ver, een roep uit het verleden?
Fluwelen herinneringen aan huid op huid
maken het bestaan even heel.

Bertje van Delden, juni 2024

Vandaag krijgt mijn hoofd
een dagje vrij van deze wereld
vol opgestroopte mouwen met
snelheid telt als motto;
mijn lijf krijgt vrij van de kraag
die te strak spant,
van het kostuum
dat waarschuwt vlug,
vlug, er is geen terug.
Meer, meer is de heersende mode
maar aan deze maat kan ik
slechts stotterend voldoen,
mijn aard neigt naar de herkauwers
die naakt en zwijgend gadeslaan,
schrikdraad in acht nemen,
bang zijn voor haast
en het liefst met
hun hoeven in de aarde
staren naar
het alles vullende niets.

Bertje van Delden, mei 2024

Ze zoomt haar leeftijd in
en gumt de liefde uit,
veegt de kruimels van het tafelblad.
De grond legt zijn geduld nogmaals uit
in grauwe kleden,
vraagt geen verklaring,
koestert zelfs de vage vegen licht,
heeft zich al lang neergelegd
bij grijze oppervlakkigheid
en draagt haar laatste jaren.

Bertje van Delden, april 2024

Waarde oprichters en mededichters van dit op dorstige geesten beluste poëziecafé.

Op de valreep besloot ik om een brief op te stellen om jullie op de hoogte te brengen van mijn opschrijfproces rondom de opdracht op om zo op te helderen waarom deze literaire vorm een betere oplossing is voor mijn bijdrage dan een snel opgehoest vers. Bovendien kan de briefvorm in deze digitale, opgewonden tijd wel een opwaardering gebruiken maar dat terzijde.

Ik wil hierbij opbiechten dat er een oproer in mijn hoofd krioelde van opstandige gedachten en dat het me veel moeite kostte om mijn mouwen op te stropen om iets zinvols over op op papier te zetten. Toch wilde ik niet op de vlucht slaan en zeker ook niet mijn ongenoegen opkroppen, vandaar dit schrijven.

Is het op zijn minst niet opvallend dat in deze tijd van opportunistisch individualisme, waarin iedereen zich op X een Mozes op de berg waant die met zijn heilige geschriften de enige juiste geboden opeist, ons opperbestuur ons opzadelt met het voorzetsel op?! Hoe dan op …..en ook nog eens waar boven op ……….. Waarom wordt op op zo’n prominente plaats gezet?

De voorkeursplek van op dient toch slechts om iemand weer eens op het schild te hijsen of om het ego op te poetsen?! U hoort het al, U vindt in mij een enorme opponent van deze prepositie en ik doe bij deze een oproep aan onze nestors om zich niet te laten opjutten noch opslorpen door de huidige oppervlakkigheid.

Omdat ik niet al te hard tegen U wil optreden en ook niet voor te veel opschudding wil zorgen probeer ik U op andere gedachten brengen. In mijn optiek liggen er genoeg andere onderwerpen voor het oprapen. Wat dacht U van de oppositie van op namelijk onder? Of roept onder teveel nederigheid bij U op en past dit woord wellicht net als onopvallendheid in de 19 e eeuw toen politici nog geen opzien wilden baren met allerlei opgeblazen oprispingen.

De ligging van ons Nederland waarin we in feite onder zeeniveau leven zal zeker invloed hebben op ons gedrag waarin we ons telkens weer moeten oprichten maar laten we ons niet oppompen tot een soort van opperwezens.

In alle oprechtheid vraag ik U, nestors, een pas op de plaats te maken. Ik wil nog graag opmerken dat het bestuur bestaat uit oplettende literaire deskundigen, die onze prestaties willen opschroeven maar op het hoogste niveau van op is er slechts één schrijver die optimaal kan schitteren en dat is Battus met zijn Opperlandse Taal- en Letterkunde.

Hoogachtend,

Uw nederige dichter Bertje van Delden, maart 2024

Slechts eenmaal heb ik je gezien. Jij reed,
gebogen over je stuur, in volle vaart
terwijl het asfalt onder je krachtige lichaam weggleed
langs mijn gerieflijke boerderij met open haard.

In die snelle flits ontsproot er in mijn hart
een loot van liefde want die knalrode racekledij
verpakte een goddelijk lijf, bolle kuiten zo hard
als staal, die spierspanning, oh wat ontroerde alles mij.

Och, waarom zag je mij niet op de oprit staan
tussen lentegroen en ontluikende narcissen
trillend van sensatie en zwaar aangedaan
omdat ik alleen nog naar je vurigheid kon gissen.

Stiekem hoopte ik op een onfortuinlijke valpartij;
de straat die plots door een vallende tak werd versperd,
een wiel dat in de berm zich vastreed in natte klei……
en hoe ik dan ineens Florence Nightingale werd.

Mijn knusse stulp toverde ik om in een veldhospitaal,
waar ik je wonden toegewijd zou verplegen,
je bij het knappend vuur fêteren op wijn en feestmaal
om daarna in elkaars armen te verdwijnen met Gods zegen.

Bertje van Delden, februari 2024

Parodie op: Aan Rika van Piet Paaltjens uit Snikken en Grimlachjes