Bertje van Delden

Links en rechts een kopje gevend treedt hij binnen,
schrijdt statig naar zijn verheven zetel
waar hij zich behaaglijk neervlijt na wat gewentel
om aan een uitgebreide wasbeurt te beginnen.

Vanaf zijn uitverkoren positie kan hij heerlijk spinnen,
maar zijn ogen vernauwen zich soms razendsnel,
hij krabt direct, blaast leugenachtig fel, maakt echt een rel
als een huisgenoot zijn plek wil winnen.

Na 11 jaar eisen de kamerleden onverbiddelijk mijn vertrek,
geen haar in mijn vacht zal zich daarbij neerleggen,
het pluche van deze stoel voelt te comfortabel.

Dit blijft voorlopig nog míjn presidentiële stek,
alle tegenstand kan ik met een formidabel argument weerleggen
want let op, het betreft hier een sonnet en zeker geen fabel.

Bertje van Delden, november 2021

Naar buiten, been naar voren, afzetten met andere voet,
voortgaan met bewegen, stap na stap,
ruimte creëren, langs akkers jakkeren, bospad in.
Dit lopen is geen wandelen, te liefelijk woord
-met een zweem van genot of flaneren –
voor deze drang van voortstuwen;
afstand overbruggen is een betere term.
Vooral doorgaan, desnoods bomen tellen of de passen
tussen de stammen, het zand onder je zolen
weg laten glippen om het echte wegglippen vóór te zijn.
Nee, niet benoemen, doorgaan met voortjagen.
Verdring gedachten, druk ze weg in de grond,
nee, niets regelen over ter aarde bestelling.
Volg het pad, stamp de kluiten plat,
IJsberen in het bos, maar dat is klimaatcrisis
toch groter probleem dan deze zenuwinzinking.
Wat betekent een mensenleven op de geologische tijdsbalk?
Een blad dwarrelend van een tak, nog even wiegend
op de wind, een muggenpoepje op de muur
weg te poetsen met een nat doekje.

De lucht krimpt tot onrustbarende grijze partijen.
Nee, geen gegoochel met De Romantiek over
weersgesteldheden en snikken op het graf,
geef mij maar De Verlichting, verlichting van
dit ongrijpbare fenomeen dat de keel dicht knijpt,
woest woekert door maag- en buikstreek,
het denken verstikt sinds het bericht:
“Wij bellen U tussen 2 en 4 voor de uitslag.”

De voeten veren nog, niet glibberen nu, niet uitglijden,
niet verdwijnen in de plas, hoe aanlokkelijk ook.
Vooruit kijken, gemiddelde staplengte van 70 centimeter
vertelt de stappenmeter, die hoef ik niet te tellen zelfs niet de dagen,
dat doet de agenda vol geroosterd met onderzoeken.

Een zachte zoem op mijn huid, het is donker tussen de stammen
van de sparren, geritsel klinkt door de mobiele tril,
een spatje licht glinstert terwijl mijn hand verstart,
weerspiegelt een verschrikte blik mijn gierende paniek.

Bertje van Delden, oktober 2021

Nog nooit straalde de magnolia zo purper
en wit in het heldere lentelicht,
waren de narcissen ineens zo geel en met zoveel,
de tulpen zo aanlokkelijk voor het selfiepubliek.
De bloesems van de fruitbomen voorbodes
voor vruchtbare tijden, de bloeiende meidoorn
een hoopvolle verwijzing
naar een maand met meer vrijheid.
Nog nooit zag de hemel zo streeploos blauw
als deze maand april vanachter glas,
rook de lucht zo kruidig als het briesje wind
door de openstaande tuindeur.
Nog nooit zongen de merels zo zuiver,
maakten de mezen elkaar zo onstuimig het hof,
nam de roodborst zo uitdagend bezit van een boom.
Nog nooit ruzieden de kraaien zo luid alsof
ze met hun schrille kreten
schaterlachen om ons gemis.

Duiven schuifelen zonder schroom
over terrastafels, drinken uit één kop.
Mussen badderen gezellig samen in de goot,
meeuwen bevolken pikkend de markt.
Zwaluwen zwenken en zwieren al was
de wereld één dansfeest en wij de domoren
die binnen zitten.

Nog nooit
was het leven ons zo lief
en de dood zo ongrijpbaar dichtbij.

Bertje van Delden

Mijn adem blaast een donker gat in kristallen ruit
waardoor een nevel van verwachting wasemt.
Onverstoorbaar vult het onbegrensde wit de ruimte
met dwarrelende vlokken uit de hemel als klanken
van Gnossiennes in een weergaloze droom.

Ineens ben ik weer het kind dat schaatst
met onbevangen slagen over het eindeloze vlak
en verschrikt bij harde val op diepbevroren blauw
een snoek in wijd gesperde ogen staart.
Rietstengels buigen, fluisteren met het knisperende ijs.
Stijve vingers in te grove wanten worstelen met riempjes;
de kriebelende muts is verstopt onder wollen trui.
’s Avonds kleuren oren nog lang rood,
op kolenkachel geurt warme chocolademelk.

De winternacht bracht heimwee mee;
een eiland van herinneringen dat langzaam wegzinkt
in stijgend water want net als Friese doorlopers
lijkt sneeuw te verdwijnen uit deze eeuw.

Bertje van Delden

Met Allerzielen moet er een kaars gebrand,
een bloem op het graf maar bij jou was er geen geloof
in kerk en sombere stenen zerk. En welke bloem
is vooralsnog de vraag, doet eer aan jouw rijk palet.

Een gekrulde tulp uit een zeventiend -eeuws
schilderij vakkundig en volmaakt vertolkt,
vind jij veel te bourgeois.
Het brede penseelgebaar in smeuïg oker
van Vincent van Gogh is meer jouw stijl
en zonnebloemen verblijden je gemoed,
zo ook de stervende chrysant in zacht geel
van de jonge Mondriaan, ravissant verbeeld.

Hoewel jouw tuin een Hollandse Monet waarin
het schildersoog eindeloos kon dolen,
plantte je je ezel graag in het aardappelland
om het paars voor altijd te verbinden aan het doek
zoals alleen De Groningse Ploeg dat doet.
Je struinde langs de oevers van de Drentse Aa
om het wit van moerasspirea of een strook valeriaan
op te laten lichten tegen blauwe lucht.

Een akkertje met koren- of paardenbloem,
een cichorei verdwaald in berm, een maarts
viooltje, alles was je even lief. Voor jouw nagedachtenis
volstaat zelfs geen vierseizoenen veldboeket.
Nu in novembergrijs blijft mijn oog rusten
op de nog steeds bloeiende, volgroeide stekken
van jouw boerenflox en kniel ik diep
om me te laten bedwelmen door hun geur.

Bertje van Delden