Bertje van Delden

Nog nooit straalde de magnolia zo purper
en wit in het heldere lentelicht,
waren de narcissen ineens zo geel en met zoveel,
de tulpen zo aanlokkelijk voor het selfiepubliek.
De bloesems van de fruitbomen voorbodes
voor vruchtbare tijden, de bloeiende meidoorn
een hoopvolle verwijzing
naar een maand met meer vrijheid.
Nog nooit zag de hemel zo streeploos blauw
als deze maand april vanachter glas,
rook de lucht zo kruidig als het briesje wind
door de openstaande tuindeur.
Nog nooit zongen de merels zo zuiver,
maakten de mezen elkaar zo onstuimig het hof,
nam de roodborst zo uitdagend bezit van een boom.
Nog nooit ruzieden de kraaien zo luid alsof
ze met hun schrille kreten
schaterlachen om ons gemis.

Duiven schuifelen zonder schroom
over terrastafels, drinken uit één kop.
Mussen badderen gezellig samen in de goot,
meeuwen bevolken pikkend de markt.
Zwaluwen zwenken en zwieren al was
de wereld één dansfeest en wij de domoren
die binnen zitten.

Nog nooit
was het leven ons zo lief
en de dood zo ongrijpbaar dichtbij.

Bertje van Delden

Mijn adem blaast een donker gat in kristallen ruit
waardoor een nevel van verwachting wasemt.
Onverstoorbaar vult het onbegrensde wit de ruimte
met dwarrelende vlokken uit de hemel als klanken
van Gnossiennes in een weergaloze droom.

Ineens ben ik weer het kind dat schaatst
met onbevangen slagen over het eindeloze vlak
en verschrikt bij harde val op diepbevroren blauw
een snoek in wijd gesperde ogen staart.
Rietstengels buigen, fluisteren met het knisperende ijs.
Stijve vingers in te grove wanten worstelen met riempjes;
de kriebelende muts is verstopt onder wollen trui.
’s Avonds kleuren oren nog lang rood,
op kolenkachel geurt warme chocolademelk.

De winternacht bracht heimwee mee;
een eiland van herinneringen dat langzaam wegzinkt
in stijgend water want net als Friese doorlopers
lijkt sneeuw te verdwijnen uit deze eeuw.

Bertje van Delden

Met Allerzielen moet er een kaars gebrand,
een bloem op het graf maar bij jou was er geen geloof
in kerk en sombere stenen zerk. En welke bloem
is vooralsnog de vraag, doet eer aan jouw rijk palet.

Een gekrulde tulp uit een zeventiend -eeuws
schilderij vakkundig en volmaakt vertolkt,
vind jij veel te bourgeois.
Het brede penseelgebaar in smeuïg oker
van Vincent van Gogh is meer jouw stijl
en zonnebloemen verblijden je gemoed,
zo ook de stervende chrysant in zacht geel
van de jonge Mondriaan, ravissant verbeeld.

Hoewel jouw tuin een Hollandse Monet waarin
het schildersoog eindeloos kon dolen,
plantte je je ezel graag in het aardappelland
om het paars voor altijd te verbinden aan het doek
zoals alleen De Groningse Ploeg dat doet.
Je struinde langs de oevers van de Drentse Aa
om het wit van moerasspirea of een strook valeriaan
op te laten lichten tegen blauwe lucht.

Een akkertje met koren- of paardenbloem,
een cichorei verdwaald in berm, een maarts
viooltje, alles was je even lief. Voor jouw nagedachtenis
volstaat zelfs geen vierseizoenen veldboeket.
Nu in novembergrijs blijft mijn oog rusten
op de nog steeds bloeiende, volgroeide stekken
van jouw boerenflox en kniel ik diep
om me te laten bedwelmen door hun geur.

Bertje van Delden