Astrid Aalderink

we schrappen ‘ik’
bezittelijke
voornaamwoorden
voornamen en voornaam

Vincent leed
toen hij Vincent leek te zijn
zwart krassend krijt
op velijnpapier

gefileerd tot skelet
schedel met sigaret
troost zoekend in
cafés en bordelen

waar stinkende rook
uit oogkassen stroomt
kringelend schimmige
beelden creëert

dwingt giftige inkt
ontdaan ingeslikt
toe te zien hoe de
wereld splijt

tweedeling bestaat
enkel voor wie gelooft
dat geen woord wijst
naar ‘groter dan wij’

laten we samen
onze ego’s verdrinken
in zeeën van zijn, waar
de hemel ons wacht

Vincent verdween
toen hij Vincent vergat
in gele korenvelden
een blauwe sterrennacht

Astrid Aalderink, maart 2022

het was in diepe stilte
dat een boom tot mij sprak

hij zei: weet, jij bent mij
laat geen zintuig begaan
ga aan valse beelden, aan wat
je waarneemt volledig voorbij

er was het wezen van die boom
niet anders dan mijn zijn
geen stam, geen bast, geen takken
hoe wind daar vat op krijgt

geen benen, huid, geen armen
geen gedachten in mijn hoofd
alleen een innerlijk waaien
één levende stroom

voor even bestond er geen
‘ik’ en ‘de boom’

Astrid Aalderink, februari 2022

ALLES willen
ALLES moeten
wat bedacht wordt
NU verwachten

zo vergeten
om te lachen
te verlangen
om te wachten

in de hele grote veelheid
de verscheidenheid der dingen
is juist dat
        wat uit de pas loopt
zich niet zomaar laat bedwingen

het onaffe
onvolmaakte
imperfecte
onderdeel

vaak zo prachtig
in zijn heelheid
ALLES
is meteen
zoveel

Astrid Aalderink

Gedicht voor P.

Het is altijd aanwezig,
voelt als een gegeven,
of iets van de zwaartekracht
op wordt geheven.
Zo warm hier ontvangen,
opnieuw zo gehoord,
gaat de dag onbevangen,
haast vederlicht voort.

Prachtig ben je, met je lach,
maar soms wil ik je vragen:
Hoe voelt de dag voor jou?
Hoe lang zijn soms je dagen?
Wat vind je lastig om te doen?
Maar ook: wat kleurt je dag?
Ik weet alleen niet of ik dat
wel aan je vragen mag.

Als jij me ooit iets zou
vertellen en ik luister dan
hoop ik van harte dat te
kunnen zoals jij dat kan.

Ik zie je soms, heel even maar:
een groet, een snelle pas.
Maar gek, daarna voelt alles
altijd lichter dan het was.

Astrid Aalderink

Ter nagedachtenis aan Etty Hillesum

Lucht hangt trillend boven land,
water spiegelt tot de dijk.
Eindeloze vergezichten
in je innerlijke rijk
tonen jou het onbegrensde
nu je voelt en gaat begrijpen
dat je vol tot wasdom komt
zoals het graan hier staat te rijpen.

Daar zie je de spoorbrug liggen,
tussen masten ingekaderd,
nu je, fietsend langs de IJssel,
Deventer al langzaam nadert.
Lint van zilver slingert, glinstert,
goudgeel graan, de zon zo heerlijk.
Negentiennegenendertig
en de zomer lonkt begeerlijk.

Bijna thuis en bij het Pothoofd
pluk je bloemen: rode, gele.
Het is vijf voor twaalf, je weet:
het carillon zal zo gaan spelen.

Lieve Etty, blijf nog even,
zie hoe jouw rivier meandert.
Neem het beeld mee in je leven
als dat straks voorgoed verandert.

Astrid Aalderink