Alle gedichten

Immortelle

Is ’t heus een halve eeuw geleê,
Pauline line mijn,
dat ‘k steeds na ’t college van Van Bree
zó heel dicht bij U mocht zijn…

We fietsten tsaam naar jouw adres
aan ’t Leids Piet Paaltjenspad,
waar jij, Paulien, mijn meesteres,
een studio bezat.

Daar pakte jij je mandolien,
Pauline line mijn,
dan liet je mij je kunsten zien,
hoe zoet, hoe teder fijn

je zang- en snarenspel weerklonk,
Pauline line mijn,
terwijl de zon ter kimme zonk,
en ik een kruidentheetje dronk.

Dan hoorde ik een immortelle,
zo schoon, zo zuiver en zo delicaat
als nimmer nog een Leidse Èle
gezongen had bij nacht of dageraad.

Wat vloog de tijd, – of stond ze stil,
Pauline line mijn,
gans het heelal was zoet en rein,
soms weet een man niet wat ie wil –

Tot jij je mandolien weer borg, en
fluistervroeg: hou je van kroelen?
Dan maakt een man ineens zich zorgen,
en alles in zijn lijf gaat woelen.

’t Wordt tijd, zei ik, naar huis te gaan,
Pauline line mijn,
’t is nog een flink end hier vandaan.
Maar ‘k vond het echt heel fijn.

‘k Bezweer U, goede vriend, en gij, vriendin,
de draak hiermede niet te steken.
Er zit wezenlijk zo iets aandoenlijks in,
dat m’n hart er nú nóg van mocht breken.

Joseph Paardekooper, februari. 2024

Een duivenmoeder koert

Doffer Daaf bracht een aubade
aan mijn lieve dochter Jade.
Hij vroeg haar tot zijn gade,
ze waren beiden niet te versmaden.

Zij volgde hem op gevleugelde paden.
Jaloezie heeft hen verraden.
Er werd een jachtgeweer geladen,
het stond vandaag in alle bladen:

Een jonge duif werd tot haar schade,
bestreken met een tapenade
en gevuld met vetbolzaden,
op een open vuur gebraden.

De vondst der veertjes was beladen,
doffer Daaf brak uit in een woeste tirade.
We legden de botjes bedekt met een wade
onder een boog van de arcade.

Tijdens de vliegende parade
bracht Daaf haar nog een serenade.
En ik maakte, goeie genade,
deze aangrijpende ballade.

Lies Prins, februari 2024

Sluitstuk

Heeft hij aan een vrouw gedacht
toen hij het koord op sterkte,
secuur de gordijnen sloot,
de tijgerlelie in haar smalle vaas
ten afscheid licht beroerde –

aan Rika, Betsy; aan Jacoba
met ogen bruin of hemelsblauw
die hij verhief tot sterren
aan het poëtisch fimament?

Of hoorde hij de stem vanuit
een later eeuw: “En weet je hoe?
Zijn beddekoord! Geheel in stijl!
Subliem!” Als sluitstuk, als apotheose
voor zijn lezers opgevoerd?

Werd het hem toen eerst helder:
“Er is geen weg terug, mijn werk
dwingt mij tot samenval” –
heeft hij zich nog verwonderd
over zijn ogen, droog –
zich aan de bedrand afgezet
om eenzaam te ontstijgen
aan dit tranendal?

Louise Broekhuysen, februari 2024

Aan Rikus

Slechts eenmaal heb ik je gezien. Jij reed,
gebogen over je stuur, in volle vaart
terwijl het asfalt onder je krachtige lichaam weggleed
langs mijn gerieflijke boerderij met open haard.

In die snelle flits ontsproot er in mijn hart
een loot van liefde want die knalrode racekledij
verpakte een goddelijk lijf, bolle kuiten zo hard
als staal, die spierspanning, oh wat ontroerde alles mij.

Och, waarom zag je mij niet op de oprit staan
tussen lentegroen en ontluikende narcissen
trillend van sensatie en zwaar aangedaan
omdat ik alleen nog naar je vurigheid kon gissen.

Stiekem hoopte ik op een onfortuinlijke valpartij;
de straat die plots door een vallende tak werd versperd,
een wiel dat in de berm zich vastreed in natte klei……
en hoe ik dan ineens Florence Nightingale werd.

Mijn knusse stulp toverde ik om in een veldhospitaal,
waar ik je wonden toegewijd zou verplegen,
je bij het knappend vuur fêteren op wijn en feestmaal
om daarna in elkaars armen te verdwijnen met Gods zegen.

Bertje van Delden, februari 2024

Parodie op: Aan Rika van Piet Paaltjens uit Snikken en Grimlachjes

Immortellen 18

Piet Paaltjens
I
De maan glijdt langs de ruiten
En blikt mij vragend aan
ʻWat moet, bleeke zanger, –
In uw ooghoek glinstert een traan?ʼ
Zoo gij de maan niet zelf waart,
ʻk Zou zeggen: loop naar de maan. –
Wat mij het oog doet glinsteren,
Dat gaat er geen schepsel aan.

III
Waarom ik de loome nachten
Met wrange tranen bedauw? –
Ik weet niet wat ik liever deed,
Dan dat ik het zeggen zou.
En wou ik het ook al zeggen,
Weet ik, of ik het wel kon?
Voor alles is er een oorzaak, –
Maar hebben mijn tranen een bron?

In yntegrale ferfrysking
Vertaler – Steven de Jong

I
De moanne freget earnstich,
Wylst er lâns ’t finster giet:
ʻWat sil dat bleke sjonger, –
Dyn eagen glinst’rje wiet?ʼ
As jo de moann’ net wienen,
Wie dan nei de moanne flein. –
Wêrom’t my de eagen glinst’rje,
Ha ‘k nea in skepsel sein.

III
Wêrom’t ik de soele nachten
Mei bittere triennen begriem? –
Ik wit net wat ik leaver die,
As sizze wêrom’t ik skriem.
‘k Wit net, al woe ‘k it sizze,
Oft it yn myn fermogen wol lei.
Foar alles is der in oarsaak, –
Mar wêr komme myn triennen wei?

Een integrale verfriesing
Hertaler – Erika Visser

I
De maan vraagt ernstig,
Terwijl hij langs het venster gaat:
ʻWat zal dat bleke zanger, –
Jouw ogen glinsteren nat?ʼ
Als je de maan niet was
Was dan naar de maan gevlogen
Waarom het mij de ogen glinsteren
Heb ik nooit een schepsel gezegd.

III
Waarom ik de zwoele nachten
Met bittere tranen behuil? –
Ik weet niet wat ik liever deed
Als zeggen waarom ik huil
ʻk Weet niet, al wilde ik het zeggen
Of het in mijn vermogen wel lag
Voor alles is er een oorzaak,-
Maar waar komen mijn tranen vandaan?

Erika Visser, februari 2024

Aan Drika

Slechts éen keer heb ik je gezien, je was
gezeten in een Tesla, die de Lada
waar ik mee reed, passeerde in volle vaart,
de kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg om mij
het eindeloze levenspad met fletse lach
te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
glimlachje liet ik meer, sinds ik je zag.

Waarom ook heb je van dat blonde haar
waar de engelen aan te kennen zijn? En dan,
waarom blauwe ogen, zo diep en helder,
je wist toch dat ik daar niet tegen kan?

En waarom mij dan zo voorbij gesneld
en niet als het stoplicht ging branden
mijn hoofd in je armen vast gekneld
en op mijn mond je lippen vastgedrukt?

Je vreesde mogelijk voor een botsing, maar Drika,
wat kon een zaliger moment zijn, dan ik, in mijn Lada
onder een helse vonkenregen en brekend blik
samen met jouw verpletterd te worden in een Tesla?

Louis Radstaak, februari 2024
(naar Aan Rika van Piet Paaltjens)

Aan Rika

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein,
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
Het eindeloos levenspad met fletsen lach
Te doen vervolgen. Ach! Geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zoo voorbijgesneld,
En niet als ’t weerlicht, ’t rijtuig opengerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mogelijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

Worgengel

wjirgingel

dichter
fan snokken
en grimlaitsje
skoalfoarbyld fan
de humorist dy literêr
te spotten wist op it skerp
fan de sneed mei alles wat him
sa dierber wie en er eangst foar hie
waard syn wjirgingel besward mei nuver
klinkende hyperbolen en superlativen mar pas
nei ferdwining fan mystifikaasje bliek hoe ferlern
en warleas hy ferfoel yn tobberijen en swiermoedigens
waarden de dagen somberder al flauwer en flauwer it skynsel
fan leauwe iensum en ferlitten fersonken yn grammitigens ferdwûn
fêstichheid ûntsonk ek de lust en krêft ta striden en wat behaalden bleau
oan leauwe waard ferswolge troch grimmitige weagen fan twifel en him úteinlik
nei in tryste nacht fan treasteleaze melangoly yn de earms fan syn wjirgingel dreau

worgengel

dichter
van snikken
en grimlachjes
schoolvoorbeeld
van humorist op het
scherpst van de snede
die literair te spotten wist
met alles wat hem zo dierbaar
was en ook waar hij angst voor had
werd zijn worgengel bezworen met dwaas
klinkende hyperbolen en superlatieven pas na
de verdwijning van mystificatie bleek hoe verloren
en weerloos hij verviel in tobberijen en zwaarmoedigheid
werden de dagen somberdere al flauwer en flauwer het schijnsel
van geloof eenzaam en verlaten verzonken in grammietigheid verdween
vastigheid en ontzonk hem de lust en kracht tot strijden wat behouden bleef
aan geloof werd verzwolgen door de grimmige golven van twijfel en hem uiteindelijk
na een sombere nacht van troosteloze melancholie in de armen van zijn worgengel dreef

Erika Visser, februari 2024

Des god’s krach

Speels, met humor dartelen de woorden, Des zangers min mij door de kop.
Bedenk daaronder ligt een laag van levenspijn en ongeloof en diep en diep getob.

Een gruwelmist hangt rond het leven van François HaverSchmidt
een dominee die uiteindelijk in Vlaardingen zit.

Een dominee die gewoon is om, tegen het einde van de week,
iets stichtelijks te schrijven, men noemt dit vaak een preek.

Niet, dat hij echt gelovig is; hij stelt het wel zo voor.
Dat doen de dominees meer daar zijn het dominees voor.

Ook nu weer is hij aan de gang ook nu weer krast hij op papier
dat wat hij vroeger geloofde, nu doet het hem geen zier.

En staart hij in zijn eigen ziel in HaverSchmidts slimme brein
dan is dat geloof in vader god zo allemachtig klein.

En denkt hij aan de wereld waar in hij leeft met HaverSchmidts duister brein
dan gelooft hij dat zijn leven zijn betekenis, volkomen zinloos zijn.

Zelfs als hij proeft de liefde van zijn Koos, die HaverSchmidts vrouw mocht zijn,
ook dan gaat die zwarte, zwarte wolk niet uit zijn eigenmachtig brein.

In retrospectief denkt het HaverSchmidten brein;
ach kon ik maar weer, ach kon ik maar weer die Pieter Paaltjens zijn.

Tot hiertoe volgde ik de strofen van Des zangers min, een voor een voor een,
graag had ik dat volbracht tot de laatste strofe, die over dat geliefde rechterbeen.

Hier aarzel ik, neen, ik aarzel niet, – wordt dit nu niet te lang? –
Ik schrap enkele strofen maar stel u gerust inhoudelijk mist u niks van dit gezang.

Des zangers min, zoals u weet eindigt met een enzovoort.
HaverSchmidt eindigde hangend aan des bedstees gordijnenkoord.

Charles Matthijssen, februari 2024

Humor in opdracht

(Ter ere van Piet Paaltjes. Op Paaltjes
dan, echter ook op eigen benen en
desnoods op stelten)

Humor in een anders jasje, ze
zullen het maar vragen
heel je leven lang

Ironieën, ironie, en ironie in
een urinoir is er maar één van
waar ik mee antwoord.
Waar dan? Dan daar!
Daar waar het kan.

En anders met ernst,
dodelijke ernst
om serieus te zijn
zolang men het niet vergt,
mij maar niet vraagt

Vraag niet! Vergt niet, maar
laat,

Laat me dan zijn
En laat me worden:

Dit dan alleen als opzet(je)?

Jan de Vlaming, februari 2024

Dakloze José op Zaventem

Hoelang deze poëet, gezonken en beschonken
Op deze vloer bewusteloos gelegen heeft
Dat zou ik zelf niet kunnen zeggen, maar
Genoeg – de luchthaven Zaventem herleeft

Ik doe een wilde greep naar mijn mobiel
Bel naar Portugal, mijn thuis, mijn vrouw
Ik informeer naar haar en onze kinderen
En twijfel weer aan haar echtelijke trouw

Ik ken mijn recht, ik blijf, tien jaren al
Ik verloor mijn baan als kok, kreeg mot
Laat mijn vrouw in de waan dat ik werk
Anders wacht mij louter schimp en spot

Daarginds in die hal ontplofte de bom
Ik was er net nog geweest, … echt nét!
Maar ging toen naar buiten om te roken
Dus die sigaret heeft mijn leven gered!

Het is hier tenminste warm en droog
En toeristen, altijd wat te zien en te doen
Coffee to go, broodjes en vele winkels
Alleen, het ontbreekt mij zeer aan poen

In deze winkelwagen ligt al wat ik bezit:
Rolkoffer, deken en kapot opblaasmatras
‘k Lijk bijna een toerist wachtend op z’n vlucht
Maar … ik drink wodka uit een limonadeglas

Ik verdien wat centen bij met sneldichterij
Zo uit de vuist, voor zich vervelende toeristen
Genoeg voor mijn dagelijks quotum alcohol
Ach, mijn kinderen, als ze dat eens wisten …

Hun fiere vader José, nu een dakloze schooier
Die niet kan zorgen voor hun dagelijks brood
Ik móet mij wel een stuk in de vergetelheid zuipen
Anders wordt de schaamte nog mijn wisse dood

Ik huil en snik mij elke nacht in bewusteloze slaap
In vieze, stinkende, tochtige en afgelegen hoeken
Maar ik neem mij vóór ik inslaap steevast grimlachend voor
Morgen bij het ochtendgloren ga ik eindelijk die vlucht boeken ….

(in het midden latend of het een vlucht naar Portugal is, of
de vlucht naar boven, via de kist naar het portaal van Petrus.)

Neletta van Heuven, februari 2024