Alle gedichten

Het einde van de winter

Inktzwarte lijnen
Tegen koud blauw
Zwijgende knoppen
Aan kleumende takken

Ik zie door de bomen
Het bos geeft zich bloot
Vormen en vogels
Ik hoor de hoop

Hier is de ziel
Hier is het leven
Nakende waarheid
Hier draait het om

Ger van Diepen, maart 2021

Geen bewijs

Corona heeft me grijs gedraaid
mijn pruik verprutst tot oerwoud
mijn lippen werden strakke strepen
nu niemand zich meer bloot stelt aan mijn babbel

dagelijks verpak ik mij in zwart
sprekend voor mijn zwijgen
vriendinnen die de pandemie
uit mijn verbanden sleurde zonder

dat ik ze zag vertrekken of nog een woord
ïk had gehoord of in een kaart gelezen
hoe ze was gegaan maar
het bewijs werd niet geleverd

ik struikel in de straten van
mijn verleden vind een oud bericht
en haar stem op mijn scherm
zodat ik – twijfelend – toch nog een berichtje stuur

Sieth Delhaas
februari 2021

Schaatsen

Zijn vrouw, mijn tante,
breide nog een muts
Nieuwe warmte
op zijn oude hoofd
vol groeven
net als het ijs
dat hij zorgvuldig koos

Zij zag een glimp
van zijn zwierige slag
Hij zag de ganzen
in v-vorm in de lucht
Zoevende mannen
kwamen langszij
in rijtjes, handen op de rug

Het ging niet zo goed, zei hij,
ik was één brok angst

Ik noem het moed, zeg ik,
levensmoed

Ger van Diepen, februari 2021

Avondklok

Tenslotte legt het virus
ook de straat het zwijgen op.
De eerste avond gaan we,
lacherig, tot de valreep mee:
mensen op een holletje, brommers
scheuren in de bocht, auto’s
bonken over drempels.
Dan zet – de stad heeft wortels
in voorbije eeuwen – het luiden in
van de poortersklok. Gewoonlijk
goed voor vleugjes nostalgie
worden we opgeschrikt
door ondertonen die verwijzen
naar tijden waarin rampen
dagelijkse kost, het vege lijf
niet meer dan waaiend gras.
De Gesel Gods uitgestrooid
over de daken zoals verbeeld
in prenten en in Bijbeltekst.

De laatste slag: het sluiten
van de poorten. Als katten
schieten we naar binnen;
weten ons ongewapend
in deze dodendans.

Louise Broekhuysen

Drift

Van elke plek in mijn leven
raakt herinnering kant noch wal
Proef ik beelden van een streven

Profaan gebied, wat komt, zal

Met tijd die nu nog resteert
ga ik toch met dezelfde lef
Door met dromen over weleer

Dank omhelzingen, innig en klef

Zonder gevoel is alles verloren
heeft kennis van zaken geen nut
Laat ik alsnog mijn sporen
liefdeloos achter, volkomen blut

Maarten Douwe Bredero

Korte teksten

Lijden
Luister hoe de zeeman lijdt / wanneer zijn oog valt op een vrouw /
wier achtersteven in zacht zijde / deint in diep marineblauw.
(naar Bertolt Brecht)

Matras
Een matras door lief en leed versleten, /
geeft een beeld van een doorleefd verleden.

Natuurfilms
Als natuurfilms worden ondertiteld / kan ik dieren wel verstaan.
Jij en ik
Ik heb het veel te druk, / vrij jij maar in je eigen tijd.

Bijbelkennis
De quiz ging pas mis toen Jona / het monster uit zee had gevist.

Privacy
Noem nooit de schoenmaat / waar jij voor doorgaat.

Ideaal
Een onbespoten vrucht / zo uit de boom geplukt, /
ongewassen, ongeschild: / zo’n vrouw had hij gewild.

Pastorale
In de stilte klinkt het uitzicht /
als een pastorale / op een kudde schapen.

Waarheden
Er bestaan waarheden / die je beter kunt opgeven.

Vreselijk
Hij vindt het leven vreselijk / voor hem is het te vleselijk.

Woorden
Waar blijven de woorden / die niemand mag horen?

Mijn bovenhuis
De stoep voor mijn huis beperkt zich tot do-re-mi. /
De hogere tonen achter/ de voordeur klinken pas
als ik de trap op ren.

Zichzelf
Hij ging op zoek naar zichzelf. / Helaas is dat gelukt.

Duren
Houden van is het verlangen / naar elkaars aanwezigheid, /
waardoor weken, dagen, uren / langer dan gewoonlijk duren.

Hoe hij dat zag
Er was nog een wereld te winnen / hoe hij dat zag hield hij binnen ‘/
mij hield hij overal buiten.

Schilder
De schilder vindt dat / zijn landschappen op / zijn stillevens lijken.

Maatregel 2021
De avondklok beheerst / nu ook de nacht.

Jan van Laar

Haiku

Horen, zien, zwijgen
verspert apenstreekgewijs
breder horizon

Wim van den Hoonaard, 4 februari 2021

Samen

De ochtenddauw vleit zich als een sluier neer
En spreidt haar wolkendek over velden en stad

Een kerktoren in nevelen gehuld
Verheft zich in de blauwe lucht

Geluiden klinken adembenemend gedempt
Zelfs de wind durft er niet te zuchten

De eerste zonnestralen breken het gordijn
En reflecteren als druppels regenbogen

Het zonlicht weerkaatst moeiteloos
Waar de elementen samen komen.

Fredde Förch

Dwarsdichters

Lieve Emily, blijf je altijd thuis
met je potje thee, je brave borsten
in de kluis, verlangend
naar een schaduwvriend?
Dacht je aan dwarsdichter H.
die zijn geloof verdient
met sterke dranken,
met het verscheuren van je kamizool?
Hij is als een valk geblinddoekt
voor alle vergezichten.
Of misschien dichter tB., knorrend
op de drempel van het gesticht,
die als een kledderig varken
poedelt in een modderpoel.
Wacht je voor A. Van vers
van het mes beticht. Hij vermoordde
zijn kostvrouw, onteerde haar dochter.
Wil ik je voorstellen
aan spleendrummer W.?
Nog onwetend dat zijn rikketik
het straks verdomt verder
te slaan dan met zaad en as.
Neem de gedaantewichelaar P.
in z’n spiegelpaleis voor lief
die langzaam pompoenen
ontploffen laat.
Schrijf naar T., smokkelaar
van verzetsberichten, die preekt
dat je met graven
in een oud graf alle botten
van de overlevenden breekt.
Blijf maar liever thuis, Emily.

Dick van Welzen

The Hill We Climb / Amanda Gorman

When day comes, we ask ourselves where can we find light in this never-ending shade?
The loss we carry, a sea we must wade.
We’ve braved the belly of the beast.
We’ve learned that quiet isn’t always peace,
and the norms and notions of what “just” is isn’t always justice.
And yet, the dawn is ours before we knew it.
Somehow we do it.
Somehow we’ve weathered and witnessed a nation that isn’t broken,
but simply unfinished.
We, the successors of a country and a time where a skinny Black girl descended from slaves and raised by a single mother can dream of becoming president, only to find herself reciting for one.

‘Never been more optimistic’: speeches, songs and celebrations cap Biden’s inauguration day – as it happened

And yes, we are far from polished, far from pristine,
but that doesn’t mean we are striving to form a union that is perfect.
We are striving to forge our union with purpose.
To compose a country committed to all cultures, colors, characters, and conditions of man.
And so we lift our gazes not to what stands between us, but what stands before us.
We close the divide because we know, to put our future first, we must first put our differences aside.
We lay down our arms so we can reach out our arms to one another.
We seek harm to none and harmony for all.
Let the globe, if nothing else, say this is true:
That even as we grieved, we grew.
That even as we hurt, we hoped.
That even as we tired, we tried.
That we’ll forever be tied together, victorious.
Not because we will never again know defeat, but because we will never again sow division.

Scripture tells us to envision that everyone shall sit under their own vine and fig tree and no one shall make them afraid.
If we’re to live up to our own time, then victory won’t lie in the blade, but in all the bridges we’ve made.
That is the promise to glade, the hill we climb, if only we dare.
It’s because being American is more than a pride we inherit.
It’s the past we step into and how we repair it.
We’ve seen a force that would shatter our nation rather than share it.
Would destroy our country if it meant delaying democracy.
This effort very nearly succeeded.
But while democracy can be periodically delayed,
it can never be permanently defeated.
In this truth, in this faith, we trust,
for while we have our eyes on the future, history has its eyes on us.
This is the era of just redemption.
We feared it at its inception.
We did not feel prepared to be the heirs of such a terrifying hour,
but within it, we found the power to author a new chapter, to offer hope and laughter to ourselves.
So while once we asked, ‘How could we possibly prevail over catastrophe?’ now we assert, ‘How could catastrophe possibly prevail over us?’

We will not march back to what was, but move to what shall be:
A country that is bruised but whole, benevolent but bold, fierce and free.
We will not be turned around or interrupted by intimidation because we know our inaction and inertia will be the inheritance of the next generation.
Our blunders become their burdens.
But one thing is certain:
If we merge mercy with might, and might with right, then love becomes our legacy and change, our children’s birthright.

So let us leave behind a country better than the one we were left.
With every breath from my bronze-pounded chest, we will raise this wounded world into a wondrous one.
We will rise from the golden hills of the west.
We will rise from the wind-swept north-east where our forefathers first realized revolution.
We will rise from the lake-rimmed cities of the midwestern states.
We will rise from the sun-baked south.
We will rebuild, reconcile, and recover.
In every known nook of our nation, in every corner called our country,
our people, diverse and beautiful, will emerge, battered and beautiful.
When day comes, we step out of the shade, aflame and unafraid.
The new dawn blooms as we free it.
For there is always light,
if only we’re brave enough to see it.
If only we’re brave enough to be it.