Alle gedichten

Ik kan alleen maar naar je kijken

Een vel van marmer, soms van steen,
van rimpelige vlakken.
Een korzelige huid,
poriën met mos gevuld.

Met gesloten ogen
in een land
van laat het nu maar even,
laat het nog maar even.

Tranen op een wang,
ze laten sporen na
als groeven in een grot
gekerfd. Mijn God, ik mis je

nu al even lang
als een leven lang.
Ik kan alleen, alleen
maar kan ik naar je kijken.

Alex Gentjens

HERFSTIMPRESSIE

’t Is niet dat ik een hekel aan de herfst heb…
Neuh. Maar de lente is mij liever
met haar dromerige beloftes
van opwaaiende zomerjurkjes
en lange, zwoele avonden
met eindeloze gesprekken over niets,
levenslustige bejaarden,
vreedzaam tourend op hun E-bikes,
opgaand in het zonbeschenen landschap.
Want: Gij zult genieten!
Maar goed, de herfst dus,
morsige aanzegger van de grauwe winter,
waarin Lidl ons met glanzende brochures
de snel slinkende Euro’s wil ontrukken.
Hun soft porno beelden brengen ons
tot bronstig hijgen bij het zien
van wellustig uitgestrekt gebraad
en fonkelende wijnen in een eindeloze overvloed,
de Kampioen ons meetroont op weer
zo’n uitgelaten wandeling
door onze schaarse bossen,
in opperste verrukking voor de foto,
wadend door golven van gevallen blad.
Maar: de horeca is dicht
en dat blijft voorlopig zo.

Cees Leliveld, november 2020

Oktober

Met schuine balken
bakent de zon het jaargetijde af.
Het gras geeft zich gewonnen
aan mozaïek van okergeel.
Takken ontdaan van zomerfranje
rekken zich behagelijk uit. Roeken
strijken neer, voeren gesprekken
zonder bijbedoeling.
Tussen de struiken geven spinnen
elkaar vers-geweven raadsels op.

Van overbodigheid doordrongen
trokken zich de mensen terug.
Er is nog niets kapotgegaan.
Dit is de eerste dag.

Louise Broekhuysen

De dichter een beeldsnijder

Hij snijdt uit morgenrozenhout
tafels met citroenen
beplant zenuwrasterwerk
met diplomatenkoppen
vangt schuwe windvlagen
o zo voorzichtig, zo ijl

als helblauwe hemelstrepen
breekbaar als penseelstreken
koestert hij koeögige kuien
verbeeldt olifantenmutsen
sneeuwhazen reigerblikken
lichter dan lijsterstemmen

wie gaat er mee de vijverkoe bevrijden
uit de hofvijver van de taal
aloude bron waaruit alle woord
wordt aangeboord
en elke dag herboren.

Joseph Paardekooper
Deventer, 22 november 2020

bij gelegenheid van de 100ste geboortedag van Paul Rodenko op 26 november 2020

Mijn dichter

U wilde mij geheel.
Maar slechts ten dele
voldeed ik aan uw beeld
van moeder en muze.

U boorde de bronnen.
Liefde en verzen
vloeiden uit de gaten
in mijn gestel.

U dichtte mij heel.
Op mijn boetekleed vormden
de laatste druppels
een vage vlek.

Om mij te dichten
sloeg u mij lek.
U
mijn dichter.

Ger van Diepen, november 2020

Gebruikelijk wonder

Het moet iets betekenen
wanneer het nachtelijke gekraak van dakspanten
de aandacht lijkt te vragen voor het gebruikelijke
wonder van de liefde.

De duisternis draagt hiertoe bij doordat zij de
scherpste hoekigheid van mensen in hun omgang
zodanig verzacht dat hun wederzijdse gedragingen
soepel uitlopen op amoureuze routine.

Het moet iets betekenen,
maar wat?
Vraag het niet aan mij:
míjn dakspanten kraken niet
en ik slaap alleen.

Jan van Laar, november 2020

Dertien

Nu wij zijn geboorte eren
vraag ik postuum twaalf Hoge Heren
wat kan Rodenko mij nog leren
terwijl ik ’t Russisch moet ontberen

Eerbiedig buig ik maar mijn hoofd
voor Hij die mij belooft
rode wijn tegen de pijn;
als dertiende in een dozijn

Wim van den Hoonaard,

Deventer, 18 november 2020

Lieve Sinterklaas

er is de laatste tijd helaas
wel erg veel wild geraas
kunt u dat niet eens stoppen,
o Vrijgevigste der bisschoppen

makkers die hun mening uiten
gaan hun boekje vaak te buiten
waardoor onbegrip lijkt te stuiten
op weer een fanatiek relaas
luisteren vindt dan vaak niet plaats

misschien kunt u ze samen doen besluiten:
meerstemmig een nieuw liedje fluiten

Wim van den Hoonaard,
Deventer, 13 november 2020

Voor Paul

Jij monet zonder lelies, ongeverfde
wij-watervrouwen, jij-groene beek kanoot
rozeloos en snijdt alle tulpen af van tokio
tot den haag hoor ik de wijzen uit het oosten
aanwaaien, jij hurkt op kleuterknieëntaal
en telt mee – de sterreblauwste leeuwenbekken
en ik reken je tot de 50, weet van 55 slechts,
bezoek het brugloos dodenpark in die jouw geest-
gelaten zonnezomer op een simpelsteen die altijd
nog taalt naar jij-liefste wij-samen

en ween je regenmatig.

Dick van Welzen, november 2020

De Vagebond

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Mijn haren dansend in de wind
Mijn ogen kijken meestal loom
Alsof ik in mezelf wat droom
Al droom ik niet meer als een kind
Mijn handen van een duitendief
Van muzikant vol ongerief
Die zoveel onheil heeft gezien
Mijn onverzadigbare mond
Die dronk en beet, geen eten vond
Terwijl ik honger had voor tien

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Van zwerver steeds op zoek naar rust
Ik met mijn huid die is geblaakt
Door elke zon is aangeraakt
En al wat rokken droeg gekust
Mijn hart dat listen heeft gesmeed
Zelf ook niet vrij van minneleed
Maar dat vergat ik in een tel
Mijn ziel verloor zijn gouden glans
En zo vervliegt mijn laatste kans
Om te ontkomen aan de hel

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Ik met mijn veel te lange haar
Ik kom mijn langverwachte bron
Mijn zielsverwant mijn compagnon
Naar jou en vier je twintig jaar
En ik word dan in jouw verhaal
Je held, je lief, je prins-gemaal
Aan jou de keus wie ik zal zijn
En wij beleven ieder uur
Ons niet te blussen minnevuur
En dat zal eeuwig bij ons zijn
En wij beleven ieder uur
Ons niet te blussen minnevuur
En dat zal eeuwig bij ons zijn

Hertaling Tinus Derks

Le Métèque

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
Et mes cheveux aux quatre vents

Avec mes yeux tout délavés
Qui me donnent l’air de rêver
Moi qui ne rêve plus souvent
Avec mes mains de maraudeur
De musicien et de rôdeur
Qui ont pillé tant de jardins
Avec ma bouche qui a bu
Qui a embrassé et mordu
Sans jamais assouvir sa faim

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
De voleur et de vagabond
Avec ma peau qui s’est frottée
Au soleil de tous les étés
Et tout ce qui portait jupon
Avec mon cœur qui a su faire
Souffrir autant qu’il a souffert
Sans pour cela faire d’histoires
Avec mon âme qui n’a plus
La moindre chance de salut
Pour éviter le purgatoire

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
Et mes cheveux aux quatre vents
Je viendrai, ma douce captive
Mon âme sœur, ma source vive
Je viendrai boire tes vingt ans
Et je serai Prince de sang
Rêveur ou bien adolescent
Comme il te plaira de choisir
Et nous ferons de chaque jour
Toute une éternité d’amour
Que nous vivrons à en mourir
Et nous ferons de chaque jour
Toute une éternité d’amour
Que nous vivrons à en mourir

Georges Moustaki