Alfred Bronswijk

In Memoriam Gerrit Komrij

Hij is de schelp, die in een strak versteende buitenkant
zijn ‘ik’ met listen vrijwaart voor de ongenode blik.
Zelfs ingevangen in het allerlaatste ogenblik
geeft hij zijn wezen nog niet vrij aan het omringend land.

Hij sluit zich af, vergrendeld in kolkende eenzaamheid,
en doet alsof hij hier, voorgoed bevrijd van elk getij,
zijn zelfontworpen hoogste waarheid is en schadevrij
ontkomen kan aan hinderlagen van banaliteit.

Hoe toch is de dichter aan zee en schelpen soortgelijk.
Nutteloos, verdwaald tussen wrakhout en de waterlijn,
belichaamt hij de absurditeit onder dit gewelf

en bouwt uit weefsels van klank en rijm een angstvallig rijk
vol van gepantserd afweer tegen aangeboren pijn.
Hij weet zich thuisloos. Overal. Behalve bij zichzelf…

Alfred Bronswijk

Er bloeien toverbomen voor mijn vensterruit.
De mensen kijken. Niemand die het ziet,
hoe uitzicht zó van grijs in kleur verschiet,
dat zelfs de zwartste raaf een lichtend loflied fluit.

Daar is geen boom, noch kleur. Er klinkt geen nieuw geluid,
zegt men – Wat is dat is. En anders niet.
Er bloeien toverbomen voor mijn vensterruit.
De mensen kijken. Niemand die het ziet.

Is het gewicht der dingen dan hun grensgebied?
Ervaren gaat toch boven meten uit?
vraag ik – Maar zij, zij blijven binnen de limiet

waar het mysterie vanzelfsprekend wordt geduid.
De mensen kijken. Niemand die het ziet.
Tóch bloeien toverbomen voor mijn vensterruit.

Alfred Bronswijk

Hier leunt een oude toren op de avondzon,
die zich verliest in fonkelende vloeibaarheid
van IJsselwater, waar een veerpont zijn ponton
verlaat in ongehaaste wederkerigheid.
Naar vroeger sporen word ik hier teruggeleid.

Dit later uur heeft zich aan Deventer gewijd.
Zacht strijklicht schikt de gevels tot een hecht kordon,
waarbinnen een gedeelde lotsverbondenheid
zich laat herlezen als roman of feuilleton.
Toen én nu én straks lopen daar een triatlon.

De smalle straten bieden mij geborgenheid.
Tussen boeken, die er hun laatste eindstation
verwachten van herlevende leesgierigheid,
groeit stil een vers – dat in mij aan zichzélf begon –
met slechts één raamtekst als zijn inspiratiebron:

Das Gute Ist Immer Da!‘ – Dit motto bevrijdt
op slag van wat mij nog aan schemering omspon.
en nodigt tot bewustere aanwezigheid.
Hoog boven zingt de klokzang van het carillon
over het uur, dat even is en dan verglijdt.

Want dichten is toch: leven van aandachtigheid.

Alfred Bronswijk

Nooit was verlangen triester als die avond,
toen bloedend licht zich plooide om ‘t balkon.
Daar lag een jongeling, bleek en gehavend,
in tranen, zich aan duister denken lavend,
vanwege zielenpijn en testosteron.
Met om zijn hals een doek van zwart chiffon
De vermoeide leden zijwaarts uitgestrekt
uit intens dorsten naar de koele dood.
Zo wist hij zich verraden, voorgoed genekt.
Vergaan zelfs, als een diep gezonken vloot.
Verloren in de verlate avondzon.
Met om zijn hals een doek van zwart chiffon

Traanbedekt deed hij vermoeid zijn  ogen dicht
weer zag hij, nog in zichzelf verzonken,
die brief, die brief van dat ja verdomde wicht
aan wie geld en ziel was weggeschonken
bij het schuimend brassen van testosteron.
Met om zijn hals een doek van zwart chiffon.
Voordat de duisternis had toegeslagen,
sprak zijn mond, een ademtocht, zelfs zachter:
Hier steekt vermoedelijk – niet te verdragen! –
toch een liefdesgeschiedenis achter!
Wat moet mijn zielenpijn, mijn testosteron,
met om mijn hals een doek van zwart chiffon?

Nooit was verlangen triester als die avond,
toen bloedend licht zich plooide om ‘t balkon.
Daar hing de jongeling, bleek en gehavend,
te hangen in de schaduw van de zon,
vanwege zielenpijn en testosteron.
Met om zijn hals een doek van zwart chiffon

Alfred Bronswijk

De bittere ernst van jaargang zeventig-plus

Badkamerstilte, ochtend na ochtend weer.
Dag die zomaar binnensluipt, nooit te ontwijken.
Lijf dat zacht oud wordt, elke ademtocht meer.
Kleding, het omhulsel voor verzakte dijken.
Een baard, die onder grijsheid dreigt te bezwijken.
In de spiegel een rimpelkop, die loert als ik scheer.
En dan nog staar, wat hinderlijk is bij ‘t kijken.
Jaargang zeventig-plus – wat wil je nog meer.

Badkamerstilte. Maar ik heb geen retour.
Wie leeft moet op een simpel enkeltje reizen.
De jeugd? Een onaf schip zonder richtingsroer.
De liefde? Valse kermis met valse prijzen.
Loopbaan? Vergeefs traject van vergeefse reizen.
Wereldse roem? Een smakeloos plat du jour.
Mij rest nog weinig meer aan bestaansbewijzen.
Voor jaargang zeventig-plus een vast pandoer.

Badkamerstilte. Onthullend ogenblik.
Inflatiegevoel, psychische hobbelwegen.
Wat behoedt mij voor koude en laatste snik?
Wat mag ik koesteren als ultieme zegen?
Wat houdt mij hier verre van drup en de regen?
Niets redt jaargang zeventig-plus. Tenzij ik
met regelmaat glazen Bourgogne mag legen,
verpozend bij Nijhoff, Achterberg, Hoornik.

Alfred Bronswijk