Tinus Derks

Un jour pendant la pandémie
un rat croisa une souris.
Sans hésiter il l’invita
à joindre le parti des rats.
“On va”, dit il en souriant,
“tous au centre-ville en criant,
que nous devons finir sous peu
confinement et couvre-feu”.
La petite souris toute honorée
se mit en route pour la tournée.
Se croyant sauve en compagnie
elle imitait ses chers amis,
hurlait tout en lançant des pierres,
se croyait rat sur pied de guerre.
Mais la police, peuplée de chats,
voyant la taille de ces rats,
se rua vite et sans merci
sur la souris.
La pauvre fut, au nom du roi,
mangée par le plus grand des chats.

Les souris jouant au rat
finissent sans pardon
à tort ou à raison
dansl’estomac
d’un vilain chat.

Deze fabel is het winnende gedicht van een gedichtenwedstrijd, uitgeschreven door de Alliance Française Twente n.a.v. de 400-ste geboortedag van Jean de la Fontaine. De opdracht was een gedicht te schrijven à De la Fontaine over een actueel onderwerp. Korte samenvatting van de inhoud: Een rat nodigt een muisje uit om met andere ratten mee te doen aan een demonstratie tegen de coronamaatregelen. Het muisje is zeer vereerd en demonstreert fanatiek mee met de ratten, maar als de politie (katten) een eind wil maken aan de demonstratie, wordt het als eerste te pakken genomen en opgevreten door de grootste kat.

Tinus Derks

Kom, mijn lief,
kom met me mee
naar waar het leven,
mijn leven met jou,
jouw leven met mij
bestaat uit regelmaat,
uit rust en zinnelust,
en waar het gelaat
van schoonheid, als
in een droom, nog
gaaf is als een steen.

Kom, mijn lief,
kom met me mee
naar waar verlichte
waters het volledig leven
tot uitdrukking brengen,
waar westerse weelde
van weerloze waarde is,
en waar de albatros
onbespot en majesteitelijk
door het zwerk zweeft.

Kom, mijn lief,
kom met me mee
naar het land ver van hier,
waar het hemeldeksel
je schedeldak ontziet,
en waar de vliegengod
-ik noem hem beëlzebub-
geen bergen meer bederft.

Tinus Derks

 (Op de wijs van het
  staldeurtje kraakte.)

Het sneeuwklokje bloeide,
de kat mauwde zacht.
Toen hij het besproeide,
was zijn taak volbracht.

En knaap met een roosje
vond dat niet zo fine.
Hij zei na een poosje:
“Bitte, nicht  mein Röslein”.

De kat sprak genadig:
“Wat dacht u meneer?
dat lijkt me misdadig,
want doornen doen zeer”.

Tinus Derks

Tijdens de lockdown
spiegelen de dagen de dagen,
wordt het toeval tarten
ten zeerste afgeraden,
wordt verbeiden verheven
tot lome levenskunst,
blijft plezier van hogerhand
bij voorkeur binnengaats,
worden wakken geslagen
in wakkere waardigheid.

Om het tij te keren
wordt een mengsel gebrouwen
van plaag- en pleasegedrag
en worden bij de huiselijke
haard huid en haar gekoesterd.

Tinus Derks

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Mijn haren dansend in de wind
Mijn ogen kijken meestal loom
Alsof ik in mezelf wat droom
Al droom ik niet meer als een kind
Mijn handen van een duitendief
Van muzikant vol ongerief
Die zoveel onheil heeft gezien
Mijn onverzadigbare mond
Die dronk en beet, geen eten vond
Terwijl ik honger had voor tien

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Van zwerver steeds op zoek naar rust
Ik met mijn huid die is geblaakt
Door elke zon is aangeraakt
En al wat rokken droeg gekust
Mijn hart dat listen heeft gesmeed
Zelf ook niet vrij van minneleed
Maar dat vergat ik in een tel
Mijn ziel verloor zijn gouden glans
En zo vervliegt mijn laatste kans
Om te ontkomen aan de hel

Ik met mijn smoel van vagebond
Van vreemdeling, gebeten hond
Ik met mijn veel te lange haar
Ik kom mijn langverwachte bron
Mijn zielsverwant mijn compagnon
Naar jou en vier je twintig jaar
En ik word dan in jouw verhaal
Je held, je lief, je prins-gemaal
Aan jou de keus wie ik zal zijn
En wij beleven ieder uur
Ons niet te blussen minnevuur
En dat zal eeuwig bij ons zijn
En wij beleven ieder uur
Ons niet te blussen minnevuur
En dat zal eeuwig bij ons zijn

Hertaling Tinus Derks

Le Métèque

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
Et mes cheveux aux quatre vents

Avec mes yeux tout délavés
Qui me donnent l’air de rêver
Moi qui ne rêve plus souvent
Avec mes mains de maraudeur
De musicien et de rôdeur
Qui ont pillé tant de jardins
Avec ma bouche qui a bu
Qui a embrassé et mordu
Sans jamais assouvir sa faim

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
De voleur et de vagabond
Avec ma peau qui s’est frottée
Au soleil de tous les étés
Et tout ce qui portait jupon
Avec mon cœur qui a su faire
Souffrir autant qu’il a souffert
Sans pour cela faire d’histoires
Avec mon âme qui n’a plus
La moindre chance de salut
Pour éviter le purgatoire

Avec ma gueule de métèque
De Juif errant, de pâtre grec
Et mes cheveux aux quatre vents
Je viendrai, ma douce captive
Mon âme sœur, ma source vive
Je viendrai boire tes vingt ans
Et je serai Prince de sang
Rêveur ou bien adolescent
Comme il te plaira de choisir
Et nous ferons de chaque jour
Toute une éternité d’amour
Que nous vivrons à en mourir
Et nous ferons de chaque jour
Toute une éternité d’amour
Que nous vivrons à en mourir

Georges Moustaki