Sieth Delhaas

Het is de vraag of ik zo popiejopie ben als ik
zelf wel denk. Het is de vraag of op mijn uitvaart er
meer dan een derde op zal komen dagen van die lange
lijst adressen die te wachten ligt op het moment suprême.

‘t Is trouwens zelfs de vraag of ieder van dat derde deel
de reis naar het natuurgraf in de bossen wel wil maken
of dat hij/zij er niets voor voelt door opgewaaide bladerhopen
heen te waden achter mijn kist, intussen verstolen mompelend

over die rijke stinkerd, die ‘t zo hoog heeft in haar ecobol
dat ze haar pecunia eerder besteedt aan ’t eigen graf
dan aan de zielenpoten die dagdagelijks bij
voedselbanken hun kostje samen moeten rapen.

Niet kan ik laten me af te vragen wat er gedacht zal worden
op het moment dat mijn geestloos lijf via een met de hand
bediend katrol onder de ogen van de mij toegedane vrienden
langzaam in de o zo schone grond verdwijnt.

Wat gaat er om in al die meest toch lieve zielen die
zelf al aardig krom en hoogbejaard daar op de rand de eigen
toekomst onder ogen moeten zien, wachtend het moment dat
schopjes rulle aarde me langzaam aan hun oog onttrekken:

dat ik zo vaak de plank missloeg? mijn ongelijk betwistte? of
hartverscheurend volhield dat zìj de spijker volkomen mistten?
Het zijn vragen die de eeuwigheid zeker niet halen,
maar zielloos dralen waarop geen antwoord te verwachten is.

Sieth Delhaas
november 2019

Een jolige oktoberstorm
rukt me uit mijn comfortzone van:
lekker binnen blijven

Kalenderwaarheid wijst me:
bijna Allerzielen
lange nachten zitten me
al weken op de hielen

Mijn zonnige oktoberstorm
veegt echter voor een enk’le dag
alles van de kaart
wat naar winter wijzen mag

Mijn fiets, mijn zonnebril
mijn IJssel
met lege bankjes langs de oever
reiken mij
– hoe hollands –
een jolige oktoberstorm
een gouden bladerdroom
één dag lang mìjn comfortzone

Sieth Delhaas
oktober 2019

Wie gaat er mee naar Zutphen varen
op een avond in de herfst
het past bij de tijd
winter op weg
zomer nog zinderend onder de huid

Ergens was de sleutel gebroken
in de stad woont geen enkele man
die de sleutel maken kan
dat hoeft ook niet

Het is een vrouw
die de toekomst maken zou

Tastend door de stad
vier handen fladderend langs de muren
zo oud veel van die stenen
maar wat maakt dat uit

Niets onder onze huid
wilde daarvan weten
wie gaat er mee
wie durft het aan
een nieuwe toekomst in te slaan

Na vijf woorden waren we door de stad
ons leven veranderd
en de sleutel… smeten we in de IJssel.

Sieth Delhaas
Kopwit, 16 oktober 2019

Een stad zo buiten beeld
voor haar geen denken aan
bij ’t missen van een trein
een slenteren tussen huizen
van een oneindig verlaten plein

In ’t jaar van langzaam sterven
twee keer de stad verbonden
met de vrouw die ongezien bleef
in een wereldwijde hersenspoeling
wat had haar kind
daarmee te doen? Een rol?

Een verbinding zo verborgen
dat toeval uitgesloten was
dat zij die plek om in te wonen
moest vinden zonder te weten
dat haar geschiedenis
hier al begonnen was

Sieth Delhaas
Kopwit, oktober 2019

Terwijl ik de blokhut van mij zuiver
op de rand van de rubberen schotel
die ik die week van
ondraaglijke hitte
op peil hield
zit zij
zwarte merel
drinkend per druppel
haar snavel van tijd tot tijd
heen en weer tikkend
van linker naar rechter borst

pogend zich te bekruisigen?

zij bleef te kort
maar lang genoeg
om haar om te dopen tot
roomse vogel

Sieth Delhaas
augustus 2019