Sieth Delhaas

In de donkere Corona-nacht sta ik
voor het raam
mijn straat als uitgestorven
geen aangeschoten jongeren die

– gewoonlijk rond de klok van vijf –
luidruchtig van de Brink mijn straat
door slingeren
bewoners wakker schuddend
hun beschonken stemmen stuiterend
tegen de hoge gevels van mijn oude Postkantoor
bij lange na niet bij de tijd
van de naakt geworden straten.

Sieth Delhaas
maart 2020

Bouwers en baggeraars
krijgen wat lucht
meer Pfas erg? men
weet het niet het geheel
bijkans een klucht

Zes miljoen zwijnen in
noord-brabants’ mega
stallen vol leven ter
voorbereiding op de dood
eet ze!

Varkenspoten
varkensoren
varkensbloed
economisch stevig
het gaat goed!

Pot verwijt de ketel
over zwart
boeren baren stikstof
tevergeefs beraad
trekkers braken kwaad

919.000 runderen in het
groene gelderland
stront stroomt net niet
door de straat bij de
burger wel de neus uit

Afrikaanse varkenspest
in Azië haasje over van het
ene naar het andere
continent banken bovenmate
content

Koe en varken beiden
moeten wijken voor de geit
omdat de laatste
– ’t is bewezen –
schoner schijt

Sieth Delhaas,
december 2019

Het is de vraag of ik zo popiejopie ben als ik
zelf wel denk. Het is de vraag of op mijn uitvaart er
meer dan een derde op zal komen dagen van die lange
lijst adressen die te wachten ligt op het moment suprême.

‘t Is trouwens zelfs de vraag of ieder van dat derde deel
de reis naar het natuurgraf in de bossen wel wil maken
of dat hij/zij er niets voor voelt door opgewaaide bladerhopen
heen te waden achter mijn kist, intussen verstolen mompelend

over die rijke stinkerd, die ‘t zo hoog heeft in haar ecobol
dat ze haar pecunia eerder besteedt aan ’t eigen graf
dan aan de zielenpoten die dagdagelijks bij
voedselbanken hun kostje samen moeten rapen.

Niet kan ik laten me af te vragen wat er gedacht zal worden
op het moment dat mijn geestloos lijf via een met de hand
bediend katrol onder de ogen van de mij toegedane vrienden
langzaam in de o zo schone grond verdwijnt.

Wat gaat er om in al die meest toch lieve zielen die
zelf al aardig krom en hoogbejaard daar op de rand de eigen
toekomst onder ogen moeten zien, wachtend het moment dat
schopjes rulle aarde me langzaam aan hun oog onttrekken:

dat ik zo vaak de plank missloeg? mijn ongelijk betwistte? of
hartverscheurend volhield dat zìj de spijker volkomen mistten?
Het zijn vragen die de eeuwigheid zeker niet halen,
maar zielloos dralen waarop geen antwoord te verwachten is.

Sieth Delhaas
november 2019

Een jolige oktoberstorm
rukt me uit mijn comfortzone van:
lekker binnen blijven

Kalenderwaarheid wijst me:
bijna Allerzielen
lange nachten zitten me
al weken op de hielen

Mijn zonnige oktoberstorm
veegt echter voor een enk’le dag
alles van de kaart
wat naar winter wijzen mag

Mijn fiets, mijn zonnebril
mijn IJssel
met lege bankjes langs de oever
reiken mij
– hoe hollands –
een jolige oktoberstorm
een gouden bladerdroom
één dag lang mìjn comfortzone

Sieth Delhaas
oktober 2019

Wie gaat er mee naar Zutphen varen
op een avond in de herfst
het past bij de tijd
winter op weg
zomer nog zinderend onder de huid

Ergens was de sleutel gebroken
in de stad woont geen enkele man
die de sleutel maken kan
dat hoeft ook niet

Het is een vrouw
die de toekomst maken zou

Tastend door de stad
vier handen fladderend langs de muren
zo oud veel van die stenen
maar wat maakt dat uit

Niets onder onze huid
wilde daarvan weten
wie gaat er mee
wie durft het aan
een nieuwe toekomst in te slaan

Na vijf woorden waren we door de stad
ons leven veranderd
en de sleutel… smeten we in de IJssel.

Sieth Delhaas
Kopwit, 16 oktober 2019