Niels Klinkenberg

ik wandel langs de kadewand
die ’t wassend IJssel water bant

ik staar de golven in de stroom
tot woorden ongehoord en loom

ik droom mij stroom die eeuwig vliedt
maar ik word oud de ijssel niet

ik zit er helemaal niet mee
als meters boven NAP

de IJssel uit haar oevers treedt
al was het kilometers breed

het water stroomt de lucht is helder
morgen pomp ik wel mijn kelder

de pont de vogels in de lucht
de dieseldamp een ver gerucht

van klokken ik tel zeven uren
dit mag eeuwig blijven duren

ik volg de ganzen in hun baan
helaas de pont legt alweer aan

Niels Klinkenberg

Wetenschap op zoek naar waarheid
Start met echte fantasie,
En ontkent de oude slaafsheid
Van de volgers van de braafheid.
Wetenschap is poëzie.

Weet dat wetenschap in wezen
Start met weinig, soms met niks,
Dan komt men met een hypothese
Zoals destijds, onvolprezen,
Opkwam in het hoofd van Higgs.

Een deeltje, dat naar Higgs zou heten,
Geeft de massa aan de kern
Van alles wat we kunnen meten;
Om dat ook te kunnen weten,
Bouwde men versneller CERN.

Werkers uit haast alle landen
Werkten jaren, al maar feller
Zij zochten samen naar verbanden
En’t bewijs kwam uit hun handen,
Uit die Zwitserse versneller.

En zo vond men dan een stukje
Van de puzzel van het zijn;
Op weg naar kennis een klein rukje,
Maar de echte vrucht, die plukje
Op ‘t grenzen-loze werkterrein.

Zoek naar waarheid, wetenschapper,
Zoek de grond van het bestel,
Werk met passie, wordt steeds knapper,
Niet steriel, maar altijd dapper,
Dicht Gezelle na, en stel:
Wilde waarheid wil ik wel!

Niels Klinkenberg

Laat die duif niet vrij, mijnheer,
Wanneer u op wilt treden
In naam van Godes Vrede.
Nee, laat hem in zijn kooi, mijnheer!

Zo luidt oprecht  mijn bede,
Want laat u hem wel vrij, mijnheer,
Dan keert hij tot uw kerk niet weer.
Wat heeft hij dáár geleden:

In naam van God en Vrede
Vond hij geen vrijheid, in uw leer,
Gekooid in kerkse zeden.
Laat hem niet vrij, de duif, mijnheer,

Want eenmaal los keert hij niet weer:
Hij zoekt zijn eigen heden
Los van die kerkse Vrede.
Zijn strijd met kraai of meeuw doet zeer,

Maar erger werd geleden
Vóór u hem vliegen liet mijnheer:
Uw kooi bood nimmer vrede!

Niels Klinkenberg

Het monument vermeldt de namen
Van wie om het leven kwamen
In die gruwelijke tijd.
Dezelfde namen als mijn buren,
En die ik lees op winkelmuren:
Historische verbondenheid.

Ik sprak laatst met mijn oude buurman
Waarvan menig oudoom omkwam.
“La grande guerre!  oui, ah oui…!”
Hij wil zelfs na honderd jaren
De herinnering bewaren,
Aan Patrick, Paul en oncle Guy.

Op het graf van die verwanten
Zet hij jaarlijks weer chrysanten
En een kaarsje in een glas.
Het beeld van al die honderdtallen
Jonge mannen, daar gevallen
Door de kogel of door gas…

Nee, dat beeld is niet te schrappen…
Dat wij hier dat niet goed snappen
Is de oorzaak naar ik vrees
Dat in Holland zoveel mensen
Weer opnieuw de grenzen wensen,
Zo vreeslijk anti Europees..

Als zij even verder draven
Gaan ze weer een loopgraaf graven…

Niels Klinkenberg

Heel nerveus, de wind die snijdt
Door jas en jasje, overhemd.
En in mijn hand een klein boeket
Mimosa stevig vastgeklemd.

Ik wacht verliefd. De achterdeur
Is dicht. Als zij daar straks verschijnt
Bied ik haar dan als dank voor klank
Voor ze voorgoed verdwijnt

Mijn bloemen. Het duurt wel erg lang;
Ach als ze toch eens wist
Hoezeer ik op haar wachten wil,
Mijn liefste violiste…

Ik wacht, al is het uren lang,
Op haar daar in de kou,
Daar achter het concertgebouw….
Mijn lief, och kom toch gauw!

Dan piept de deur en ze verschijnt,
Luid pratend met z’n drieën,
En ik, verblind, ga op haar af.
Met trilling in mijn knieën

Bedank ik haar. Ik stamel wat:
“Zoals u Bach deed klinken…”
Ik bied haar mijn boeketje aan…
Ze lacht… ik wil verdrinken,

Wil zeggen hoe ik van haar houd:
Haar spel, haar lach, haar tanden,
Waar tussen die charmante spleet…
Maar woorden vind ik niet. Wat heet,
Ik bloos, mijn wangen branden.

Ze lacht. Ze neemt de bloemen aan.
Ze lacht zo ongedwongen,
En zegt dan zacht tegen haar vriend:
“Wat leuk zo’n puberjongen!…”

Ik sta daar dan alleen, verward,
Onzeker, maar ook blij,
Want net nog voelde ik haar handen,
En zag haar lach tussen haar tanden,
Mijn groot idool, Emmy Verhey.

Niels Klinkenberg