Niels Klinkenberg

1 februari 2018.

Ik kende je niet, zoals ook jij
niet wist wie mevrouw P. was.
Toch wist je van het levenstij
dat loopt Van zaad tot as.

De droefenis van copyrettes;
je werk was Zwart als kaviaar:
dichterlijke pirouettes,
Harde Modder geen bezwaar.

Het licht is als het licht, maar toch, ach,
in De wereld bij avond gaat stuk
al het licht, dat scheen in Dit is mijn dag:
ja Menno je was Slordig met geluk,

Want ’s Zomers stinken alle steden,
maar meer niet dan daar in de polder
waar jij Het gesticht rook: er werd geleden,
tijdens die Drie maanden Den Dolder.

En nu ben je dood, je strijd is gestreden.
je riep nog Mijn naam is Legioen!
In wanhoop wellicht, op zoek naar iets lichters
schreeuwde je zelfs: Red ons van de dichters!
maar dichten moest je blijven doen,
totdat je heenging, laatstleden…

Niels Klinkenberg
februari 2018

Werk van Menno Wigman:

  • 1984 – Van zaad tot as
  • 1985 – Two poems
  • 1997 – ’s Zomers stinken alle steden
  • 2001 – Zwart als kaviaar
  • 2002 – Rust niet
  • 2003 – Het licht is als het licht
  • 2004 – Dit is mijn dag
  • 2006 – De wereld bij avond
  • 2007 – Het gesticht. Drie maanden Den Dolder
  • 2009 – De droefenis van copyrettes. Keuze uit eigen werk
  • 2010 – Red ons van de dichters
  • 2012 – Mijn naam is Legioen
  • 2014 – Harde modder
  • 2016 – Slordig met geluk

Le coteau dort baigné par la lune sereine,
La forêt, vague et bleue, oscille doucement
Et les arbres penchés s’égayent par moment
D’un rayon diapré sous les feuilles d’un frêne.

L’Yser dissimulé sous la brume incertaine
Roule dans ses flots purs des larmes de diamant,
On dirait que la guerre émeut le firmament
Dont l éther s’attendrit aux exploits de la haine.

Parfois confusément sous un rayon lunaire,
Un soldat se détache incliné sur l’eau claire;
Il rêve à son amour, il rêve à ses vingt ans!…

L’air pur frémit soudain d’une balle perdue,
Un râle va troubler le murmure des vents…
O, pourquoi sur des fleurs faut-il que l’on se tue?…

Antoine de Saint-Exupéry (Fribourg, décembre 1915)

Oorlogslente

De heuvel slaapt badend, door maanlicht omvat,
Het bos, beweegt zacht in het blauwige duister
Een maanstraal licht op, geeft het bos nieuwe luister,
Een straal tussen takken vol jong essenblad.

De IJzer gaat schuil onder lichtende flarden.
De tranen, een golf van briljanten, die stromen…
De oorlog, zegt men, heeft de hemel ontnomen,
Door daden van haat deed zij alles verharden.

Soms ziet men in het plotse licht van de maan
Een schuilend soldaat bij de waterstroom staan;
Hij droomt van zijn liefje, is twintig jaar oud!…

De lucht splijt uiteen door een dwalend stuk lood,
Een gerucht stoort de waai van de wind in het woud…
O, waarom toch is’t dat op bloemen men doodt?…

Antoine de Saint-Exupéry (Fribourg, december 1915)

Heel nerveus, de wind die snijdt
Door jas en jasje, overhemd.
En in mijn hand een klein boeket
Mimosa stevig vastgeklemd.

Ik wacht verliefd. De achterdeur
Is dicht. Als zij daar straks verschijnt
Bied ik haar dan als dank voor klank
Voor ze voorgoed verdwijnt

Mijn bloemen. Het duurt wel erg lang;
Ach als ze toch eens wist
Hoezeer ik op haar wachten wil,
Mijn liefste violiste…

Ik wacht, al is het uren lang,
Op haar daar in de kou,
Daar achter het concertgebouw….
Mijn lief, och kom toch gauw!

Dan piept de deur en ze verschijnt,
Luid pratend met z’n drieën,
En ik, verblind, ga op haar af.
Met trilling in mijn knieën

Bedank ik haar. Ik stamel wat:
“Zoals u Bach deed klinken…”
Ik bied haar mijn boeketje aan…
Ze lacht… ik wil verdrinken,

Wil zeggen hoe ik van haar houd:
Haar spel, haar lach, haar tanden,
Waar tussen die charmante spleet…
Maar woorden vind ik niet. Wat heet,
Ik bloos, mijn wangen branden.

Ze lacht. Ze neemt de bloemen aan.
Ze lacht zo ongedwongen,
En zegt dan zacht tegen haar vriend:
“Wat leuk zo’n puberjongen!…”

Ik sta daar dan alleen, verward,
Onzeker, maar ook blij,
Want net nog voelde ik haar handen,
En zag haar lach tussen haar tanden,
Mijn groot idool, Emmy Verhey.

Niels Klinkenberg.

Dans la profonde nuit, Reims agonise et brûle!
La Flamme vers les cieux scintille, monte, ondule.
Guillaumme, sous le casque au panache tremblant
Farouche se délecte au spectacle sanglant.

D’un maréchal d’empire il est accompagné
Et brusquement lui dit: <Qu’avez-vous épargné?
– La Cathedrale sire. – Et l’Hôpital? – Il brûle.
– C’est fort bien, votre armée? – Ah sire… elle recule!…

< Qu’ont fait les défendeurs… ils sont morts…? – Ils ont fui!…
Hagard il se dressa dans l’effroyable nuit,
Sa lèvre se crispa, son front se fit plus pâle…!
< Vous me bombardez, demain, la Cathédrale!… >

Saint Exupéry (Fribourg, novembre 1915)

Reims!…

In het diepst van de nacht sterft de stad en Reims brandt.
De stijgende vlam golft en bliksemt het land.
Wilhelm, ge-veer-helmd, kijkt neer op de gloed
En geniet het spektakel, ’t vergieten van bloed.

De maarschalk des keizers staat bij hem en staart.
Hem vraagt hij kortaf: <Wat heeft u gespaard?
– De Kathedraal sire. – Het ziekenhuis? – Dat brandt.
– uw leger? – Ah sire… dat trekt terug uit het land!

<De vijand… gedood…? – Nee, die is gevlucht!…
Woest staat hij op, zegt met woedende zucht
Zijn lippen verstrakt, zijn gezicht wit als staal…!
<Vernietig voor mij morgen die Kathedraal!…

Saint Exupéry (Fribourg, november 1915)

De geest des wijns zit in de fles;
ontkurkt en na een glas of zes,
krijg ìk die geest; niet meer stabiel
laat ik de fles alleen zijn ziel…
maar gooi de fles dan nietemin
Met ziel en al de glasbak in.

Niels Klinkenberg