Niels Klinkenberg


Paul Géraldy, Toi et moi

Si tu m’aimais, et si je t’aimais, comme je t’aimerais !

EXPANSIONS

Ah ! je vous aime ! Je vous aime !
Vous entendez ? Je suis fou de vous. Je suis fou…
Je dis des mots, toujours les mêmes…
Mais je vous aime ! Je vous aime !…
Je vous aime, comprenez-vous ?
Vous riez ? J’ai l’air stupide ?
Mais comment faire alors pour que tu saches bien,
pour que tu sentes bien?… Ce qu’on dit, c’est si vide!
Je cherche, je cherche un moyen…
Ce n’est pas vrai que les baisers peuvent suffire.
Quelque chose m’étouffe, ici, comme un sanglot.
J’ai besoin d’exprimer, d expliquer, de traduire…
On ne sent tout à fait que ce qu’on a su dire.
On vit plus ou moins à travers des mots.
J’ai besoin de mots, d analyses !
Il faut, il faut que je te dise…
Il faut que tu saches… Mais quoi !
Si je savais trouver des choses de poète,
en dirais-je plus — réponds-moi —
que lorsque je te tiens ainsi, petite tête,
et que cent fois et mille fois
je te répète éperdument et te répète :
Toi ! Toi ! Toi ! Toi !…

Paul Géraldy, Jij en ik

Als je van me hield, en ik van jou, wat zou ik dan van je houden!

OPENHARTIG

Ah! Ik hou van jou! Ik hou van jou!
Hoor je wel? Ik ben gek op jou. Gek…
Ik spreek woorden, altijd dezelfde…
maar ik hou van jou! Ik hou van jou!…
Ik hou van jou, begrijp je?
Je lacht? Doe ik zo stom?
Maar wat moet ik doen opdat je weet,
opdat je het voelt? Wat ik zeg is zo leeg!
Ik zoek, ik zoek een manier…
’t Is niet waar dat zoenen genoeg is.
Iets verstikt me, hier, als een snik.
Ik wil mezelf uitdrukken, verklaren, vertalen.
Je voelt alleen wat je had kunnen zeggen.
Je leeft als het ware tussen de woorden door.
Ik heb behoefte aan woorden, ik zoek.
Ik moet, ik moet het je zeggen…
Je moet het weten… Maar hoe!
Als ik dichtersgaven had,
zou ik meer zeggen – antwoord me –
Als ik je zo vasthoud, lief hoofdje,
en honderd keer en duizend keer
herhaal als waanzinnig; ik herhaal:
Jij! Jij! Jij! Jij!…

(vert. Niels Klinkenberg)

Waarom o mooie vijgenboom
Draag jij vruchten in september?
Rijpe vruchten als een droom
Die met roquefort en gember,
Besprenkeld met wat zure room
De droom is van de gastronoom….?

Ik ben daar niet meer in September!
De vijgen hangen paars en loom,
In trossen zwaar en vol aroom
De tak houdt ze niet meer in toom…

Was ik maar daar, zo eind september!

Ik zie ze vallen in gedachten:
Barstend, vlekkend op de stenen
Moe van langer nog te wachten…

De vruchten zijn straks weer verdwenen
Als nutteloze fenomenen.

Ik droom slechts nog van vijg met gember
en kan mijn vijgen slechts bewenen…

Ik was daar niet meer in september!

Niels Klinkenberg


Chanson d’automne

Les sanglots longs
Des violons
De l’automne
Blessent mon cœur
D’une langueur
Monotone.

Tout suffocant
Et blême, quand
Sonne l’heure,
Je me souviens
Des jours anciens
Et je pleure ;

Et je m’en vais
Au vent mauvais
Qui m’emporte
Deça, délà,
Pareil à la
Feuille morte.

Paul Verlaine (Poèmes Saturniens)

Herfstlied

Violen der herfst:
ze schrijnen voortdurend,
en wonden mijn hart
met eentonige klank.

Verstikkend, verblekend,
wijl tijden verglijden,
en ik slechts herinner
wat was… en ik jank;

ik laat mij maar varen
op rottende winden,
doelloos en dwalend
als herfstblad, zo krank…

(vrij naar Verlaine: Chanson
d’automne) Niels Klinkenberg.


Herfstliedje

Hoe klapt de laatste rode roos.
Hoe weent de gaffel bitter.
De laatste herders hoeden doos,
En hijgend gast de fitter.
Het alvlees kliert, het schild kliert mee.
Het kleine smal deelt vier door twee.
De ree kent ook haar wel en wee
En dit zij haar vergeven.
Want, duizend schoon de zweze rikt,
De ooie vaart waar medem blikt,
en zo vervliet het leven.

Daan Zonderland.

Wasliedje

Ik wás nu al een hele poos,
maar het wordt maar niet witter,
met poeder uit de poederdoos;
het stemde me steeds bitter.
Totdat zij zei: waar was je mee?
en ik zei waar ik het mee dee,
en zij zei: dat is niet OK,
laat mij dan nu maar even,
want, wat jij met dat poeder flikt,
doe ik met bleek, drie keer verdikt!
en witter! (toegegeven…)

Niels Klinkenberg.

(Opgedragen aan Hans Andreus)

Ik lig hier, en ik lig hier goed:
De loomheid die mijn spieren voedt
Verwarmt mijn lijf. Hier neergezegen
Wil ik nimmer meer bewegen.

De zinderende zon zingt zacht,
mijn lijzig liggend luie lijf
is loom geworden zwaartekracht,
‘t wil dat ik eeuwig liggen blijf.

Mijn hart slaat traag, mijn bloed stroomt sloom
De lucht is licht en warm en zuiver
Een koele vlaag is als een droom
En geeft een aangename huiver.

Ik weet wel, straks zijn daar weer plichten,
Maar laat mij liggen zonder doel,
Die zwaarte is zo’n vol gevoel.

Kon ‘k maar, vóór ’k mij op moet richten,
Deze lome vergezichten
In woorden vangen, zwaar en zoel,
Opdat u voelt wat ik bedoel…

Ach kon ik alles maar verlichten,
Met de zon in mijn gedichten.

Niels Klinkenberg.

Hoe mooi, hoe oud en hoe subtiel
zie ik je fraaie stads profiel!
Van de overkant bekeken
geeft elke spits zijn eigen teken.
Ondanks veel bestemmingsplannen
zie ik alle kleuren pannen,
zie ik middeleeuwse sporen
in de vorm van muur of toren
en vermoed ik, afgelegen
doolhoven van kleine stegen
waar winkelend het stadspubliek
van kledingzaak naar kunstboetiek
geniet van jou, mijn Hanzestad.

Ach vroeger was jij Stokvisgat,
waar schippers zeilend, zich begaven
naar de oude fraaie haven
voor vertier, wein, weib, gesang
aan jouw fraaie Bokkingshang…
Hoe destijds die varensgasten
met hun schepen, zeilen, masten
jouw profiel konden verrijken!

Maar de schepen moesten wijken
want het stonk. Men moest saneren
en naderhand daar asfalteren.
Men heeft jouw haven flux gedempt,
wat mij als stadsmens droevig stemt.

Geen zeilschip vaart meer langs je kaden..
Ik zie slechts gasten pootjebaden
als ik langs de IJssel wandel.
ik mis het echt, jouw stokvishandel…
Ach, de glorie van weleer,
nee, die glorie is niet meer…

Ik droom nog van die mooie schepen
die jouw schoonheid onderstrepen
maar in plaats van handelsvloot
zie ik slechts een rondvaartboot…

Ach kwam jouw haven maar weer terug,
daar naast de Wilhelminabrug!
Dan wil ik mij daarginder laven,
naast de schepen in de haven
met een biertje of wat wijn
in de warme zonneschijn!

Ik hoor daar aan de Bokkingshang
al bijna weer matrozenzang…..

Niels Klinkenberg.