Neletta van Heuven

Demonen van ontrouw en overspel.

Wolken razen, kringelen omhoog
De nacht is waas, gelijk de hemel
De maan, onttrokken aan het oog,
Verlicht het pollenpluisgewemel.

Verder in het vrije veld, fiets ik
De dynamo driftig aan het zingen
En- of ik wil of niet- ik heb schrik
Van de vlakten die mij omringen

Kom, droeve vrouw, wat is dat voor gemier?
‘k Ben aan het eind van mijn Latijn, na al die jaren,
En door tranen van een voorgevoel zie ik geen zier
Mijn liefdespad loopt dood hier, einde aan het paren.

Alles in me gaf ik, maar bijster ben ik nu het spoor
‘k Ben hopeloos verdwaald. Wat nu gedaan?
Zie, in het veld leid mij een wat? …een demon?… voor
Gekraak van takjes hoor ik, of … is het slechts een waan?

Kijk daar, welk beest gooit daar zijn remmen los?
Hij spuwt op iets, blaast rookwolkjes van mist
En stampt bukkend in een struik als dol geworden vos
Drijft hij als Onan zich een aardkloof in, verspilde list?

Géén aardgrot is het, nee, mijn God, het is die zedenloze bonenstaak
Waar hij ook was verscheen zij prompt, die duivelin voor mannenogen
En maar pronken, flirten en fonk’len, ja nu is het vonkje raak
En haar duist’re kloof heeft hem volledig ín zich opgezogen.

Wolken razen, friemelen omhoog
De nacht is dwaas, waar is de hemel?
De maan verduistert voor het oog
Het promiscuë pielemuisgewemel.
Het liefdeshijgen is nu plots verstomd
Ik sta hier roerloos, verschraald is nu mijn kracht
Is hij het écht, daar in het veld? Wel ja, verdomd!
Míjn grote liefde, wolf in schapenkleren; ik hier Bambi, wacht.

En zij maar lachen, briesen, voelen echt geen enk’le wrevel
Terwijl in mij de woeste storm raast, wanhopig huilt en giert.
Zie daar, zij draven nu opnieuw een weg in liefdesnevel
Die door haar vuuroogjes zo vrolijk wordt versierd.

Zij zijn in draf nu, de feestende beesten
Geluiden van lieve lust terwijl zij rijden
Vormen in mij een samenkomst van boze geesten
Op zwartgeblakerde vlakke dorre weiden

Het zijn oneindige gedrochten
Daar in de troebele maneschijn
Rondwervelend in kromme bochten
Alsof ze lentegroene blaadjes zijn.

Met zovelen zijn zij, de ontrouwen, waartoe gedreven?
Waarom zingen zij zo driest en hol
Waarom verliet de geest hun zielenleven
En vieren ze het trouwfeest van een kol?

Wolken razen, wringen zich omhoog
De nacht is donker, er is geen hemel
De maan, gekrompen tot een boog
Verduistert mijn gevoelsgewemel.

Demonen van verraden liefde razen in een zwerm
Onder mijn oeverloos almaar vragende hersenschijf
Krols gekir en gretig hijgen en soms een klagerig gekerm
Jagen mij, steeds maar stijgend, stuipen op mijn verguisde lijf …
                                                                                         
Neletta van Heuven

Aan mijn studievriend  Adriaan, salonfilosoof die psychiater werd, van mij, filosofe, die psychologe werd.

Niet lang werden we het hof gemaakt
Door het bedrog van vrijheid, roem en trouw.
Reeds is ons filosofisch bomen in vergetelheid geraakt
Zoals vervlogen dromen, zoals de dauw.

Maar ons verlangen is nog niet versmacht
Want op de bodem dampt ons ongeduld.
Gebukt onder ’t juk van triviale twitter-macht
Horen wij knarsend wat ons land aan Rutt’-zooi brult.

Ons verbijtend zijn we aan het wachten
Intussen díchtend over het verleggen van de dijken
Zoals geliefden in daden en gedachten
Geen seconde van hun passie kunnen wijken.

Want, geloof me, vriend, branden zal het vuur
Onze twijfels, onze poëzie, het zal beklijven
Nederland zal eens ontwaken op den duur
Op de ruïnes van onze verloederde Frans Bauer en Brit-cultuur.

Neletta van Heuven