Neletta van Heuven

Een meisje in de bloei van puberteit
Hoe diep verstopt al haar verlangen
Ternauwernood ontvlucht de kindertijd
Pop wordt slinks door prins vervangen
Ze droomt haar hartstocht dag en nacht
In een landhuis, vol praal en pracht
Dat heeft ze uit kasteelromans gehaald.

Hoe moet een kind van echte liefde weten
Als haar jeugd verscheurd wordt door het tegendeel
De blik van moeder die haar grieft als tekenbeten
En altijd het gevoel, ook als zij stil is, toch te veel
Zo niet met vader, huisarts, in zijn Volvo door de Voorster dreven
Dan vliegt soms onverwacht een vleugje liefde langs, voor even
Hij schampt haar wang en houdt een pepermuntje voor, zo een van King.

Hij herschikt zijn haren in de spiegel, trekt jasje recht, bezoekt de boerderij
Dan als bij toverslag blijkt in een brede bocht het droomhuis te bestaan
In machtig praal en pracht, verscholen in het lover maar van bomen vrij
De ramen met gordijnen als geloken ogen kijken haar verlokkend aan
Voortaan worden al haar prinsendromen op dit huis geijkt
Ze hoefde niet te weten hoe het heette, dit Kleine Noordijk
Het werd haar toevluchtsoord, weg uit de alledaagse knel.

Zondagochtend in de sponde spint zij haar geheime dromen
In de balzaal maken prinsen haar het hof met zang en dans
Stoere jongens van de HBS, maar het mooiste moet nog komen
De laatste dans is … telkens weer … voor haar aanbeden leraar Frans
Een storm van prille feromonen fulmineren in een zinderende zoen
Puur geestelijk genot, de beloften van haar lijfje lagen nog verborgen, toen
Dan breekt moeder in, trekt ruw gordijnen los, van de hemel in de hel

Vele jaren later, illusies armer, naar prinsen nu wantrouwend
Zoekt zij de liefde enkel nog gesublimeerd: in schilderkunst en literatuur
En in muziek, ook dat kan je verwarmen en is daarbij opbouwend
Je kunt de dosis zelf bepalen, maar bevrediging is slechts van korte duur
Zo valt haar oog op Lenny Kuhr bij Stichting Cultuur Kleine Noordijk
Ze rijdt er in haar eentje heen, op haar Tom-Tom, over de Wilpse dijk
Plots ziet ze haar kasteel, ogen geloken, ‘t al in toverlover vertaald.

Toch niet daar? Droombeeld mag je niet met echt bestaan verstoten
Bestemming bereikt! Geroezemoes stijgt uit het koetshuis op, ‘t is in ’t bos
Zij is te laat, de stoelen op, ze krijgt een kinderstoel op hoge poten
Lenny zingt “En wie ben jij?”, koert alle pijn onder haar boezem los
In de pauze naar de hal: een man herschikt zijn haren in een spiegel
’t Zit goed hoor, zegt ze en hij kijkt haar aan, zij voelt een vreemde kriebel
Hij offreert haar witte wijn, blijkt arts te zijn, aan zijn hand geen ring

Of het zo moet zijn wand’len zij na afloop saam naar hun voitures
Al keuvelend over kastanjebomen trekt hij zijn jasje in de plooi
Maar dan: daar staat haar mini, ernaast zijn Volvo, zo’n hele grote dure
Nu komt dat stil moment waarin iets wordt bekend, pijnlijk of mooi
Even maar schampt hij met grote mannenhand maar teer haar wang
En zet dan koers naar zijn moderne koets, ook hij voor meer nog bang?
Beiden zitten, openen portieren, laten ramen naar beneden om te zwaaien

Dan gebeurt iets wonderlijks, hij stapt weer uit, ziet hij toch nog kans?
Hij houdt iets in zijn hand, brengt het voorzichtig voor haar neus
Het zijn z’n ogen die de hare onverholen nu … aaien
De voorgehouden buit is, heus, een pepermuntje, zo een van King
À propos, zegt hij erbij, mijn naam is Frans.

Neletta van Heuven

Begin augustus
Elk jaar weer
Het dichtersfeest
Voor veel geld
De dichter leest
Een enkel hoort
Want meer nog telt
Ben jij er ook geweest?

Neletta van Heuven

Keurig, keú-rig, gekleed ging moeder, alle dagen
Ruime blouses, dichtgeknoopt tot aan haar strot
Lange rokken, als kuisheidsgordels met een rits op slot
En nylons met een naad in niet te hoge pumpen dragen
De tijden van weleer, een preutse mode, een pover lot

Maar dan verkondigen de zwaluwen en wielewaal de lente
Kom mee naar boven allemaal, weg met trein en poppen
Hutkoffers open, mottenballengeur uit kleding soppen
En dan de zomerjurken aan, díe beloven mooie momenten
Zalig dat zuivere katoen met bloemmotieven, strepen en noppen

Mijn moeder op de fiets en dan tovert plots een zomerbries
Haar dijen bloot en moeder … om … in … een wufte vrouw
Maar pijlsnel zag je dan helaas, dat zij dat zelve echt niet wou
Een strenge hand ontnam je fluks het zicht, als was het vies
Ontnam je ook je hoop op … wat jij als vrouw liefst wél wou en zou

Maar dan verschijnt het boegbeeld aller vrouwen op de buis
Marilyn verklaart haar liefde zingend boven blazend rooster
aan haar Mister President, de camera almaar closer en closer
Een lust voor menig mannenoog, die benen bloot tot aan het kruis
Posters boven bedden, hopsa help je zelf, de wereld werd steeds vozer

Mei ’62 wordt dit opgewaaide jurkje voor meer dan een miljoen verkocht
Maar biedt het leven qua vervoering voor de vrouw een heus equivalent
Waar moet je heen om zo iets prachtigs te beleven aan een echte vent
Zetten benen, billen, haren, stem of mooie handen vrouwen op de tocht
Alles werd mij duidelijk tijdens het laatste Deventer Op Stelten evenement.

Zonder enige verwachting, vervuld van zwaarmoedigheid min of meer,
loop ik de Bergkerk binnen, aangetrokken door getier van doedelzakken
Op hoge stelten stappen Schotten in het rond gekleed in hun geruite pakken
Stramme kuiten, harige benen, dikke buiken, de aanblik doet me zeer
Tot plots een woeste wind opsteekt, alsof God zelf raast door de takken

Geruite rokken fladderen omhoog, pal voor m’n ogen hele klokkenspelen
jongeheren verstijfd van schrik, op hoge poten, gebeier van kloten op de bok
Vrouwen gillen, joelen en het gejodel van de doedelzak stijgt naar de nok
Windvlaag spot en speelt met man en kruis en kust de gotische kantelen
Ik til mijn camera boven mijn hoofd en flits en flits, volledig op de gok.

Al levert het niets op, Marilyn Monroe is nu geklopt.

Neletta van Heuven

Variatie op Poesjkin’s “ik hield van u”

Een schoolmeisje verliefd op de leraar Frans.

Ik was gek op u, die gekte is misschien
Nog niet voor eens en altijd gans genezen
Maar van gezeur wou ik u graag ontzien
Ge zijt nu dood, van mijn hunker niets te vrezen.

Ik was gek op u, door timidité gekweld
Het enige dat ik nog altijd durf te hopen
Is, dat ik met zo’n zachtheid, zo’n gevoelsgeweld
Een nieuwe leraar Frans tegen het lijf mag lopen.

Demonen van ontrouw en overspel.

Wolken razen, kringelen omhoog
De nacht is waas, gelijk de hemel
De maan, onttrokken aan het oog,
Verlicht het pollenpluisgewemel.

Verder in het vrije veld, fiets ik
De dynamo driftig aan het zingen
En- of ik wil of niet- ik heb schrik
Van de vlakten die mij omringen

Kom, droeve vrouw, wat is dat voor gemier?
‘k Ben aan het eind van mijn Latijn, na al die jaren,
En door tranen van een voorgevoel zie ik geen zier
Mijn liefdespad loopt dood hier, einde aan het paren.

Alles in me gaf ik, maar bijster ben ik nu het spoor
‘k Ben hopeloos verdwaald. Wat nu gedaan?
Zie, in het veld leid mij een wat? …een demon?… voor
Gekraak van takjes hoor ik, of … is het slechts een waan?

Kijk daar, welk beest gooit daar zijn remmen los?
Hij spuwt op iets, blaast rookwolkjes van mist
En stampt bukkend in een struik als dol geworden vos
Drijft hij als Onan zich een aardkloof in, verspilde list?

Géén aardgrot is het, nee, mijn God, het is die zedenloze bonenstaak
Waar hij ook was verscheen zij prompt, die duivelin voor mannenogen
En maar pronken, flirten en fonk’len, ja nu is het vonkje raak
En haar duist’re kloof heeft hem volledig ín zich opgezogen.

Wolken razen, friemelen omhoog
De nacht is dwaas, waar is de hemel?
De maan verduistert voor het oog
Het promiscuë pielemuisgewemel.
Het liefdeshijgen is nu plots verstomd
Ik sta hier roerloos, verschraald is nu mijn kracht
Is hij het écht, daar in het veld? Wel ja, verdomd!
Míjn grote liefde, wolf in schapenkleren; ik hier Bambi, wacht.

En zij maar lachen, briesen, voelen echt geen enk’le wrevel
Terwijl in mij de woeste storm raast, wanhopig huilt en giert.
Zie daar, zij draven nu opnieuw een weg in liefdesnevel
Die door haar vuuroogjes zo vrolijk wordt versierd.

Zij zijn in draf nu, de feestende beesten
Geluiden van lieve lust terwijl zij rijden
Vormen in mij een samenkomst van boze geesten
Op zwartgeblakerde vlakke dorre weiden

Het zijn oneindige gedrochten
Daar in de troebele maneschijn
Rondwervelend in kromme bochten
Alsof ze lentegroene blaadjes zijn.

Met zovelen zijn zij, de ontrouwen, waartoe gedreven?
Waarom zingen zij zo driest en hol
Waarom verliet de geest hun zielenleven
En vieren ze het trouwfeest van een kol?

Wolken razen, wringen zich omhoog
De nacht is donker, er is geen hemel
De maan, gekrompen tot een boog
Verduistert mijn gevoelsgewemel.

Demonen van verraden liefde razen in een zwerm
Onder mijn oeverloos almaar vragende hersenschijf
Krols gekir en gretig hijgen en soms een klagerig gekerm
Jagen mij, steeds maar stijgend, stuipen op mijn verguisde lijf …
                                                                                         
Neletta van Heuven