Neletta van Heuven

Als kind geloof je in het paradijs
Dat paradijs beleef je dag na dag
Van lieverlede word je wereldwijs
Op school, de straat of thuis: slag op slag

De mensen … weten zij wel wat ze doen
Want: waar is moeder als ik haar behoef
Waarom geeft vader mij weer van katoen
De grote mensenwereld stemt mij droef

‘k Heb dorst, da’s alles wat ik overhoud, zowaar
Uw bebloede handen tonen te veel gaten
Ik beveel mijn geest nu in de fles .. van ouwe klare

Het is volbracht, deed zo mijn best, ’t mocht niet baten
De Godverduistering is zonneklaar, voorwaar
Mijn, God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten

Neletta van Heuven

Met lange trage vleugelslagen stijgt de vogel op
De arend die de IJssel voor een zee aanziet
Hij vindt het hoogste punt, de Lebuinustorentop
Hij landt en vouwt zijn vleugels toe, kijkt rond, bespiedt

De toren is in duisternis gevat maar zelf verlicht
De vogel tilt mij uit mijn luie stoel omhoog
Het is nu hij en ik, de mensenwereld is uit zicht
Ik ben een kind dat goud vindt bij de regenboog

Neletta van Heuven

naakte vrouwen
plukken peren
hun eigen vruchten
spelend om hen heen
borsten, billen dansen
al plukkend, tillend
als rijpe peren
voor het kinderoog

zo leren kind’ren
spelend
peren plukken
en de
verschillen
tussen
peer en peen
pijl en boog

Neletta van Heuven

de ruimte tussen aller-
allerkleinste deeltjes is
een loze ruimte, niets dus
zou je denken, nee, want
menig kwantumfysicus
denkt daar toch heel
anders over, ziet die
ruimte niet als leegte
maar als volte, vol van
energetische geladenheid
aan ons mensenoog en
welk instrument dan ook
mysterieus onttrokken
juist daar wordt in elk 
aller-, allerkleinst moment
iets geschapen uit het
niets, maar dat niets is
eigenlijk dus niet niets
maar … alles, misschien
wel iets als … god
dus: geen thema
lijkt een beetje raar
misschien wel dom
maar is in diepste wezen
de onzichtbare kroon
op ons goddelijke
te saam gedeelde

dichtersjaar

Neletta van Heuven  

Kersttijd brengt mij bij mijn diep verlangen
Naar wat o-gen-schijn-lijk niet bestaat
Wat haast niemand lijkt te zoeken
Wat, soms bijna vast,  mij weer verlaat

Kersttijd trekt mij naar mijn diep verlangen
Naar een veilig thuis, nooit opgebouwd
Doch altijd blijf ik naar de stenen zoeken
Als een kind dat vader tóch vertrouwt

Neletta van Heuven

Aan het laden...