Jos Paardekooper

L iefde klotst tegen mijn borst als een woeste zee
E n doet m’ in mijn dromen bij U verwijlen,
S inds ik, beneveld, U bereed:
F leur! – laat ons het uitspansel omzeilen,
L averen op koers, leven van de wind,
E n volgen de weg van Uw bollende linnen.
U leerde mij spelen met Uw golvengebint,
R oekeloos uw hellingen beklimmen.
S machtend liet ik mijn lendenen trillen,
D oor U onbarmhartig gepijnigd,
U w briesen en bruisen, Uw grollen en grillen
M aakten Uw rondingen dansen en deinen;
A lles aan U is gelikt, glad en groot,
L iefste, kom weerom in mijn wanhoopsnood!

Joseph Paardekooper
Deventer, 26 april 2021
op de tiende verjaardag van het Deventer Dichterscafé,
bij het thema ‘Baudelaire’

  • Toelichting
    De dichter heeft zich verstout de vertaling van Pieter Bas Kempe van Baudelaire’s gedicht ‘La Musique’ thematisch te variëren, met behoud van de door hem gebruikte rijmwoorden.
    Met des dichters aanbeden Muze gaat het inmiddels goed; ze laat weten te floreren in een amusementshal, waar ze een ‘toezichthoudende taak’ vervult. De dichter zelve is nooit geheel hersteld van zijn Fleurige escapades.

Hij snijdt uit morgenrozenhout
tafels met citroenen
beplant zenuwrasterwerk
met diplomatenkoppen
vangt schuwe windvlagen
o zo voorzichtig, zo ijl

als helblauwe hemelstrepen
breekbaar als penseelstreken
koestert hij koeögige kuien
verbeeldt olifantenmutsen
sneeuwhazen reigerblikken
lichter dan lijsterstemmen

wie gaat er mee de vijverkoe bevrijden
uit de hofvijver van de taal
aloude bron waaruit alle woord
wordt aangeboord
en elke dag herboren.

Joseph Paardekooper
Deventer, 22 november 2020

bij gelegenheid van de 100ste geboortedag van Paul Rodenko op 26 november 2020

Fluisterzacht, als het ruisen
van de bomen in de Kloostertuin
liet je de woorden vallen tussen
de rusten in je zinnen,
bedachtzaam geuit, als dorst
je de taal niet te schaden
de stilte niet te verbreken.
Ze klinken nog na, lang
nadat wij zijn uitgeluisterd,
nadat jij bent uitgefluisterd.

Joseph Paardekooper,
Deventer, 10 april 2020


bij het afscheid van Nele Holsheimer

Lager nog dan pissebed en strontvlieg staat
de mestkever, dat blauwzwart glimmend
bladsprietig lid van de familie der coprophaginae,
ook al geen naam, zeg nu zelf, waar je mee
thuis kunt komen; in de balzaal van gods akker
is hij daarom niet welkom, al van in den
beginne is hem zijn plaats gewezen.

Hij huist in een onaanzienlijke uithoek
bij de verworpenen der aarde,
verdeelt zijn onwelriekende leven
tussen nest en mest, te midden van
de excrementen van hoger geplaatsten,
achtergelaten als stank voor dank
voor ’t aangenaam verpozen.

Maar waar zouden we zijn zonder mest
over gods akker, dus lieten de farao’s
zich balsemen en inmetselen met
een scarabee op hun edele borst.
Ere wie ere toekomt, al blijft
de vraag wie de uitwerpselen
ruimt van de mestkever.

Jos Paardekooper

De dag loopt af.
De stad loopt leeg.
Het terras loopt vol.
De tas puilt uit.

Een papier waait op.
Het verkeer zwelt aan.
Een motor raast voorbij.
De vuilnisploeg komt langs.

De ober komt zo.
De bestelling komt door.
De mossellucht drijft over.
Een glas valt om.

De stemming stijgt.
De zon daalt.
Het licht dooft.
De nacht valt.

Jos Paardekooper