Dick van Welzen

In een zee van tijd en ruimte brak je
het Alexandrijns verzuim, stak je met werk
van een betere waarheid – én met alle liefde –
die dwaalgasten de ogen uit, het finale uur
ontsprong met betwetere klaarheid uit de kerk,
de fantasten vielen met hun kortzichtige tegenspraak
jou lijfelijk aan, staken in werkelijkheid in wraak,
en als brute buit, jouw de te ruimzichtige ogen uit.

Om hun christelijke bloeddorst te lessen namen
ze hun messen en ook jouw leven daarmee
in eigen hand, kwam jouw rad van avontuur
tot stilstand door de opgezweepte mensenzee
Hypathia, was het vergelding van jouw woord,
een scholastieke strijd, een politieke moord?
vertel me, tolerant filosoof van Plotinus en Platon
– én tegelijkertijd tijgerin in de hooggeleerde salon –
was het de weigering om daar diep over te zwijgen?
onzin boven zin te doen neigen, je leerde de mannen,
jouw leerlingen, over Geloof en Ziel, over gedraai
van het heidens en van het hemelse wiel.

Ja, je was wis kundiger dan elke potloodvent,
wijs begeriger dan ook welke opperman,
meer dag dromer dan enig doodsagent
en astronomer dan menig dobberman
op de stroom en golven van de tijdgeest
verscheurde de menigte jou als een beest
in je eigen stad nog wel, lichtend baken van boeken,
hebben ze je ontkleed toch aan hun kar gebonden,
in zonde ontleed, vilden zelfs jouw Hellenistisch vel.

Jouw vlees, van de knapste maagd, werd belaagd,
het was een bloedstollend spel en godgeklaagd
om in deze wijze jouw superbrein te zoeken, boos
verbrandden zij in Cineron je lichaam en je leden
verstrooiden je as tot in alle hoeken, vruchteloos!
ons werd overgeleverd een studie over kegelsneden,
slim berekende je de bewegingen van hemellichamen,
eigenhandig bouwde je, geniaal bedacht, een astrolabium
brak je een zee van tijd en ruimte in je eigen planetarium
welke geslacht is er nu eigenlijk sterk en welk zwak?

Dick van Welzen, september 2022

hoe ten lest het water hard kon worden gemaakt
opdat de zinkende zon niet meer zou verdrinken
hoe dit hemels lichaam later in haar cyclame stralen
over de gevlekte vlakte schaatste, als een ware vedette
hoe zij met lange halen afgetekend strepen zette
dwars door onze grafiek met drie assen: schoonheid,
geluk en tijd, die wij hoopvol in de ijsvloer krasten

hoe komt toch die gloed op je schoon gezicht,
door het zonnevuur, vroeg ik of is het in dit late uur
van de zopie, toen fluisterde ik aan de haard
mijn vraag, hoe jij ook hier die vlammende blos
bewaarde voor onze fel opbrandende liefde,
die maar weinigen begrepen, je zei: m’n scheermes
heb ik vanmorgen veel te scherp geslepen.

Dick van Welzen, 16 augustus 2022

Bleu en grijs, wijd van water
in de lange leegte, schor en slik
altijd geopend vogeltheater.

Ziel en zeilen bijgezet
speurend naar de fonkelvis
in weerschijn van de golven
dalen en herrijzenis.

We steken door het Oude Smeriggat
wantij poetst de plaat
om droog te liggen
op ’t Blauw Balgs plat.

In zijn spiegelbeeld drijven wolken
gebarsten door de prielen,
rafelschuim en kolken.

Gelaafd door de vilten lucht
aanzegger van de avondstond
ankeren we op vaste grond.

We wachten het mirakels gericht
dat in regelmaat het duister breekt
zie, in de verte torent licht.

Dick van Welzen, juli 2022

Het water werd ons boordevol geschonken
in kannen en kruiken gelijk koele wijn,
we zijn met andere woorden gelaafd geraakt
aan eenieders zinnen en dronken vilein
op goed geluk en op onze dorstige aarde.

Hemels vocht heeft bruisend tot lessen
zaligheid verleid, wederom lieten we ons flessen
uit de kelder aanrukken, in de zwoele hitte
van deze zomernacht bestierf geen lach,
noch verwaaiden onze wilde zangen.

Onze laagste verlangens stilden het dorre land,
en uit betrouwbare bron vloeide gestaag
klaarheid voort, geen spuitwater werd vermorst,
ten leste stortte de regen zich als de zuivere
waarheid, als een zegenrijke vorst over ons uit.

Dick van Welzen, juni 2022

Een jongen nog maar
met blote benen,
zelfs in deze wintertijd,
ik denk twaalf jaar
met een uilig brilletje
op een kansloze missie.

Hij zit uren op z’n bagagedrager
van een door de fietsenmaker
zwartgemoffeld rijwiel,
vanwege de kosten
in opdracht van zijn vader
uit vele delen samengeklonken
en bovendien nog op de groei voorzien
van schaamblokken op de trappers.

Verscholen achter het bosschage
aan de De Sitterlaan vangt hij soms
een glimp van haar achter het raam,
soms ook komt zij, blond en spichtig,
ik denk twaalf jaar, naar buiten
dan springt hij op z’n fiets, rijdt
voor de vorm een extra rondje
voor de lang voorbereide
o zo toevallige ontmoeting.

Nu een oude man, kwetsbaar,
met stramme benen,
ik denk vijfenzeventig jaar
met een uilig brilletje
op een kansloze missie.

Hij zit in z’n zwartgemoffelde voiture,
poetst de roestige herinnering op,
uit vele beelden samengeklonken,
staart uren naar het bovenhuis
even gelooft hij haar weer te zien
een schim daarachter het zolderraam.

Hij mompelt haar naam,
zocht die vergeefs in alle krochten
van het wereldwijde web
dan start hij de auto
en rijdt voor de zekerheid, speurend
naar een spichtig en grijzend blondje,
toch nog maar een extra rondje.

Dick van Welzen, mei 2022