Dick van Welzen

hoe ten lest het water hard kon worden gemaakt
opdat de zinkende zon niet meer zou verdrinken
hoe dit hemels lichaam later in haar cyclame stralen
over de gevlekte vlakte schaatste, als een ware vedette
hoe zij met lange halen afgetekend strepen zette
dwars door onze grafiek met drie assen: schoonheid,
geluk en tijd, die wij hoopvol in de ijsvloer krasten

hoe komt toch die gloed op je schoon gezicht,
door het zonnevuur, vroeg ik of is het in dit late uur
van de zopie, toen fluisterde ik aan de haard
mijn vraag, hoe jij ook hier die vlammende blos
bewaarde voor onze fel opbrandende liefde,
die maar weinigen begrepen, je zei: m’n scheermes
heb ik vanmorgen veel te scherp geslepen.

Dick van Welzen, 16 augustus 2022

Bleu en grijs, wijd van water
in de lange leegte, schor en slik
altijd geopend vogeltheater.

Ziel en zeilen bijgezet
speurend naar de fonkelvis
in weerschijn van de golven
dalen en herrijzenis.

We steken door het Oude Smeriggat
wantij poetst de plaat
om droog te liggen
op ’t Blauw Balgs plat.

In zijn spiegelbeeld drijven wolken
gebarsten door de prielen,
rafelschuim en kolken.

Gelaafd door de vilten lucht
aanzegger van de avondstond
ankeren we op vaste grond.

We wachten het mirakels gericht
dat in regelmaat het duister breekt
zie, in de verte torent licht.

Dick van Welzen, juli 2022

Het water werd ons boordevol geschonken
in kannen en kruiken gelijk koele wijn,
we zijn met andere woorden gelaafd geraakt
aan eenieders zinnen en dronken vilein
op goed geluk en op onze dorstige aarde.

Hemels vocht heeft bruisend tot lessen
zaligheid verleid, wederom lieten we ons flessen
uit de kelder aanrukken, in de zwoele hitte
van deze zomernacht bestierf geen lach,
noch verwaaiden onze wilde zangen.

Onze laagste verlangens stilden het dorre land,
en uit betrouwbare bron vloeide gestaag
klaarheid voort, geen spuitwater werd vermorst,
ten leste stortte de regen zich als de zuivere
waarheid, als een zegenrijke vorst over ons uit.

Dick van Welzen, juni 2022

Een jongen nog maar
met blote benen,
zelfs in deze wintertijd,
ik denk twaalf jaar
met een uilig brilletje
op een kansloze missie.

Hij zit uren op z’n bagagedrager
van een door de fietsenmaker
zwartgemoffeld rijwiel,
vanwege de kosten
in opdracht van zijn vader
uit vele delen samengeklonken
en bovendien nog op de groei voorzien
van schaamblokken op de trappers.

Verscholen achter het bosschage
aan de De Sitterlaan vangt hij soms
een glimp van haar achter het raam,
soms ook komt zij, blond en spichtig,
ik denk twaalf jaar, naar buiten
dan springt hij op z’n fiets, rijdt
voor de vorm een extra rondje
voor de lang voorbereide
o zo toevallige ontmoeting.

Nu een oude man, kwetsbaar,
met stramme benen,
ik denk vijfenzeventig jaar
met een uilig brilletje
op een kansloze missie.

Hij zit in z’n zwartgemoffelde voiture,
poetst de roestige herinnering op,
uit vele beelden samengeklonken,
staart uren naar het bovenhuis
even gelooft hij haar weer te zien
een schim daarachter het zolderraam.

Hij mompelt haar naam,
zocht die vergeefs in alle krochten
van het wereldwijde web
dan start hij de auto
en rijdt voor de zekerheid, speurend
naar een spichtig en grijzend blondje,
toch nog maar een extra rondje.

Dick van Welzen, mei 2022

Eeuwig zwanger gaan we van woorden, zinnen, dragen constant
als zangers nieuw geluid de wereld binnen, dragen gelijk bruggen
aan de belofte bij tot het steevast reiken naar de andere kant,
doch evenzeer duchten we de koorden die in onze ruggen
klauwen, juist wij poëten, die ‘s mensen levenslast over de bergrand
moeten sjouwen, o dichters, dát is de ons gegeven gewichtige taak,
door Eros, Ares en Thanatos, door elke god die ons het hart verbrandt
en ons tegelijk oplichten wil én verlichten voor deze goede zaak,
die ons gul moed en wijsheid schenkt voor onze schemelende hoederhand:
‘groene fee’, ‘oranjebitter’, ‘oud bruin’, ‘wit bier’ en ‘gulden draak’,
zo kleuren wij de ‘de zevende hemel’ in en redden fier ons moederland.

Dick van Welzen, 7 maart 2022