Dick Smeijers

Weet u dat wandelen ook stress kan geven
moge u het niet beleven
Ik maakte de keus
maar heus het was geen genoegen
het was zwoegen en ploegen

Met de rugzak al, begon de twijfel te knagen
zoveel vragen, een lichte zak, klein of groot
ik was als de dood, straks ben ik wat vergeten
Weten kan ik het niet
nimmer heb ik een één-daagse gelopen

Zak ten top, de paden op
Samen in een kolonne gaan lopen
en maar hopen dat ik mee kan marcheren
Trots stapte ik in mijn wandelschoenen
die door al het boenen als spiegels glommen
en later zwommen in de plassen

Grassen en bevleugelden
kietelden en zoenden mijn arm
warm kreeg ik het ervan
Ze staken zelfs in mijn voeten
de groeten, al dat gedoe en gezwoeg
genoeg is genoeg zei mijn Tom Tom

Ik ging de paden af
en gaf mezelf vrij
Blij als ik was
ging ik op café, hoezee
En zag op de tv mijn idolen
maar het meeste miste ik

de gladiolen

José Hattink-Blom, oktober 2021

Ik geniet van ruim en vrij
op het pad langs de rivier.
De ganzen hebben me doorgelaten,
ik moest er wel even om vragen.

Een groepje tegenliggert mij,
vier mensen met een kinderwagen.
De ruimte houdt niet over hier.
Ze hebben mij niet in de gaten?

Het vraagteken groeit in de lucht.
Op anderhalve meter stokt mijn pas,
niemand doet een stap opzij.
Onzichtbaar schuin ik door het gras.

Het water klotst tegen de keien,
een dijk van onverschilligheid.
Ik droom mij op een ganzenvlucht
naar zorgelozer tijden.

Lies Prins, oktober 2021

De schijnbare doelloosheid van
slingeren
langs de bochten van een rivier
die lijkt te stromen voor
het plezier

van steeds weer nieuwe bochten
in omtrekkende bewegingen
volgen wij meanders
verdwalen in
lemniscaten
staan stil
en laten
onze gedachten bezinken
tot ze de vrije loop herkrijgen
of verdrinken in de diepte

De rivier komt allicht bij haar doel
als wij haar nu eens
zonder omwegen volgden?

Lies Prins, oktober 2021

Het hoofdje had gepast
in een handpalm; het kistje
bedekte precies hun knieën.

Nu lopen zij over het grind
naar het hek en door het hek
naar het huis. Dag na dag
zal dit hun wandeling zijn,
zullen zij de seizoenen lezen
aan hoe deze zich tot het hoekje
verhouden. Hangen zij tussen
de bloesems hun tranen te drogen,
horen zij klaagzang door krekels
gedeeld, zien zij de spin
draden weven van ontbrekende
woorden, zoekt hand naar hand
als de naam op de steen
onder de sneeuw is verdwenen.
Van het huis naar de plek,
van de plek naar het huis
waar zij niet langer wonen
maar wachten.

Een zoon. Voor de duur
van een oogopslag.

Louise Broekhuysen, oktober 2021

Van kruin tot hiel
van hier tot gunter
en van de kust tot
in het bos.
Met regenjas
en zolen met profiel
een tas om op de rug
te dragen.
De stokken losjes
in de hand, zoals een
heer in vroeger dagen
de rotting zwierig voerde.
De naald van het kompas
slaat altijd uit
waar je ook gaat.
Van kruin tot hiel
met hart en hoofd en ziel
gaat daar de wandelaar,
alsof de wereld louter uit een
platgetreden kaart bestaat.

Anna Wiersma, oktober 2021