Astrid Aalderink

Het saai vermomd formele,
het monotone grijze
verdwijnt als plotseling de dwaas
verschijnt; hij is de wijze.

Brengt me gekheid op een stokje,
het bleef over van een ijsje,
Koopt een fluitje van een cent
en speelt daarop een vrolijk wijsje.

Dan springt hij lachend om mij heen,
de lucht danst met de berg,
het regent toverballen
en de treurwilg kust de dwerg.

Maar in de spiegeldoolhof
vlucht hij plotseling van mij heen
Ik hoor nog “kiekeboe !”,
ik draai me om, maar ben alleen.

En al het mooie van daarnet
is er opeens niet meer.
Maar ach, wat met een warm hart
losgelaten wordt keert weer.

De kleuren zijn intenser nu,
de dwaas allang verdwenen,
maar de wereld zingt zijn liedje
en wordt door de zon beschenen.

Astrid Aalderink

Van Alfred leerden wij de regels van ’t klassiek Sonnet
Ach, konden wij ooit zoiets prachtigs maken…
Na uren lettergrepen tellen zuchtten wij; ” ’t kan nèt !”
Men zag zweet parelen en hersens kraken.

Met jambes liefst beginnend liet een schema als corset
kwatrijnen dreinen en terzinen zeuren.
Van breed palet naar “het past nèt” tot woelen in ons bed,
maar soms ook dromend dat het ging gebeuren.

De Meester heeft ons laten ploegen,
maar de Vondels ook gezien
nadat ons zelfvertrouwen was geslonken.

Want al ons zweten, zwijgen, zwoegen
resulteerde in een tien !
En daarop hebben wij verheugd geklonken !

Astrid Aalderink

(Over de workshop “Pallieter” die we met een aantal mensen
 – voornamelijk van het dichterscafé- gevolgd hebben bij Alfred Bronswijk.)

Witte wolkenpluizen dansen
een vertraagde dans.
Mijn denken vertraagt mee.
Gedachten dwarrelen, ze landen zachtjes
en het vuur wil maar niet branden.
Na de derde poging laat ik het gewoon
voor wat het is, deze avond ademt anders.

De vlokken die versnellen, zich vertragen,
zich zo wattig-zacht gedragen,
Waar komen ze vandaan ?
Waar komt alles toch vandaan
wat altijd maar blijft komen ?
Waar gaat alles toch naartoe
wat altijd maar blijft stromen ?

De gordijnen sluit ik nu nog niet,
de vrede komt van buiten,
ze dwarrelt voor mijn raam.
Heel gestaag wordt alles witter.
Het vuur is uit, het uur is laat,
vertraagde vlokken vallen en het licht
van de lantaarn is ook zachter dan het was.

De gordijnen laat ik open, ik laat alles
nog maar open nu de vrede langzaam
daalt en zich zelfs als in een wonder
nestelt in mijn onderbuik.
De takken bieden teder steun,
de sneeuw voelt zich gedragen,
overbodig zijn de vragen.

Deze avond ademt anders.

Astrid Aalderink

Kijkend naar jouw werken tracht ik, blanco
onbevangen op me af te laten komen
wat getoond, aanschouwd wordt hier.

Iets te snappen van wat jij door kleur en vorm
ons wil vertellen en terwijl ik kijk naar stijlen
denk : Wie was je, Kazimir ?

Je abstract suprematisme was voor jou
de hoogste kunstvorm, ik zie vlakken, lijnen
voorwerpen en kleurig boerenbont.

Maar wat je jaren bezig hield, voor jou
veranderde, vervormde is toch dit;
zwart vierkant op een witte achtergrond.

Ik sta ernaar te staren,
tracht te zien wat jij ooit zag;
Een levend organisme, zelfs God’s beeltenis
essentie, de volmaakte nieuwe dag.

Maar wat ik niet begrijp is dat datzelfde
zwarte vierkant ook model stond voor de zon.
Toen een negatief symbool werd dat bestreden
moest waarbij de nieuwe wereld overwon.

Je opera, exorbitant, creatie van trawanten.
Geen enk’le vrouw kreeg er een rol
staat juist daarom dit kunstwerk bol
van vreemde dissonanten ?

O Kazimir, wat brengt me hier ? Wat was je
innerlijke drang, je hang naar innovatie ?
Het jaar van je idee gaf je soms mee,
was het belangrijker nog voor je dan creatie ?

Het lijkt me moeilijk voor je toen jouw kunst
verboden werd, slechts socialistisch realisme
werd toegestaan, maar jij verliet de wereld mooi omringd
door ál je stijlen; toch een vorm van escapisme ?

Astrid Aalderink  

Help ! Het thema is: geen thema !
Heel mijn houvast ben ik kwijt.
Ik ga dwalend, dolend rond.
Ik doe maar wat, straks heb ik spijt…
Want wat moet ik en wat mag ik
en wat vind ik op zo’n dag ?
Nu het thema is; geen thema
ben ik helemaal van slag.

Help ! Het thema is: geen thema !
Geen sonnet en geen ballade
En ik eet niet, weet het niet;
noch herfstmenu, noch kerstsalade.
‘K heb geen schema en het zijn
geen voordeelweken bij de Hema.
Dus wat doe ik en wat moet ik
en wat mag ik op zo’n dag ?
Nu het thema is; geen thema
ben ik helemaal van slag.

Zonder steun en zonder opdracht
leef ik maar van uur tot uur
want er is niets ingedeeld,
geënsceneerd, iets van structuur.
Toch groeit er een zekere twijfel.
Ik zie kansen, mogelijkheden,
Als een onbeschreven blad  zo
maagd’lijk puur gloort hier het heden.

Wat een dag, dag van niets hoeven,
nog voor niets is het te laat.
Dus ik wacht met open armen
op wat er nog komen gaat.
Waar ik ben is waar ik zijn wil
dus hoezo ben ik van slag ?
Nee, geen thema, wat een weelde,
wat een wondermooie dag !

Astrid Aalderink