Alfred Bronswijk

Wij lagen te Staveren afgemeerd.
De vaart was uit de dag gehaald.
De vissersvloot was thuis gekeerd.
De vangst was goed en best betaald.
De houten rompen, zwart geteerd,
Droegen de buit, mannen, gestaald,
Torsten de korven met haring en bot,
Kusten hun vrouwen en dankten hun God.

Wij lagen te Staveren voor de wal,
Veilig voor zee, storm en gevaar.
De Zuiderzee kent ook dit al.
Menig botter kreeg het er zwaar
Met windkracht tien aan lagerwal,
Een mastbreuk, of het roer onklaar.
Omwille van korven haring en bot
Met heimwee van huis, gehoorzaam aan God.

Wij lagen te Staveren aan de tros.
Met zeven schepen zee gegaan
Ging het op de visgronden los.
Wind in de zeilen, bruin van taan.
Achter de kont de vlaggendos.
Zwaarden te lij, strak stond de vaan.
Vullend de korven met haring en bot.
Geen denken aan huis, nog minder aan God.

We lagen te Staveren na de sluis.
Het net gevuld met overvloed
Achtten wij niet het stormgedruis.
Golven kwamen in moordende stoet.
Stagen braken, masten in gruis.
Met man en muis heeft één geboet
Voor al die korven met haring en bot.
De dood voer mee. We vervloekten God.

Wij lagen te Staveren afgemeerd.
Het ging zoals het was gegaan.
Zes botters, rompen koolzwart geteerd,
Hebben hun droef verhaal gedaan.
Soms gaat het goede goed verkeerd.
Maar maandag zullen zij weer gaan
Om volle korven met haring en bot.
Uit zorg voor hun vrouwen, vrezend hun God.

Alfred Bronswijk    (Lange Sloot, 6.8.2014)

in de trant van een middeleeuws minnelied

Achter de verre heuvels,
daar waar de meidoorn groeit,
waar tussen blauwe lissen
de roos van mijn liefde bloeit,
zingen de merels,
fluiten de lijsters het lied van de dag,
dat ik mijn lief kussen mag.
Douw, douw, douwrideine
hem kussen mag (2x)

Maar al die verre heuvels
scheiden mijn hart van hem,
schenken mij zoet verlangen
als geur van de zongele brem.
Hoor hoe mijn minne,
in boeien gevangen, stil zingt van die dag
dat ik mijn lief kussen mag.
Douw, douw, douwrideine
hem kussen mag (2x)

Ook al zijn verre heuvels
als wallen en muren zo breed,
eens pluk ik, als meidoorns bloeien,
de roos die ik mijn liefde weet.
Luister de vogels
lokroepen luide het lied van die dag
dat ik mijn lief kussen mag.
Douw, douw, douwrideine
hem kussen mag (2x)

Alfred Bronswijk

Door Alfred gezongen en begeleid op zijn ukelele. Het refrein wordt vrolijk meegezongen door de aanwezigen

Zwaar van volle dagen zoek ik de waterkant.
De rieten stengels buigen zich in spiegeling
van vloeibaar licht en lucht en stapels wolkenwit.
Weer zie ik op het beeldscherm van herinnering
het kind, met druppels spelend, kroosblad in de hand.

Boven weeft de zwaluw zijn eigen dwaalpatroon
uit het mysterie van onverhoedse vluchten.
Van ver af lacht een  koekoek om vreemd nestbezit
en rondom geuren  plukrijpe zomervruchten.
Wijnruit, wederik tonen hem hun zonneloon.

Toen zijn het kind en tijd osmose aangegaan.
Het werkwoord zijn werd hem een wettig onderpand.
Het leerde – leven is hier en nu, in hurkzit,
het ogenblik als vonk van eeuwigheid verstaan,
met waterdruppels spelend, kroosblad in de hand,

Alfred Bronswijk

Het kind en ik

Gevangen was ons spelen in de geur van roos en
zomerloomte. Ons universum het trottoir,
bedekt met krijtgestreepte hinkelbanen, waar
de kindervoeten vreemde raadsbesluiten kozen.

Geen vijf huizenstraten verder, groenheid eindeloos
vol van koeienogen achter zigzagsloten.
Kikkerdril en riet als nauwe bondgenoten
vormden ondoorgrondelijk geheimen. Mateloos

was alles wat wij wilden doen en soms ook deden.
Onafgebakend open lag vóór ons ieder uur.
Een kinderziel draagt moleculaire eeuwigheid `

nog zonder mengsmaak van het bittervreemd verleden.
O spiegelingen – na zo veel jaren zinsstructuur
ons zelf gebleven, en tóch onszelf weer kwijt.

Alfred Bronswijk

Hein werd als zuig’ling geboren,
als vrucht van de huw’lijkse plicht.
Kreeg doopsel en borst naar behoren.
Werd verder modaal afgericht.

Gekooid door de box en de luier
hield ma hem heel strak in haar ban.
En vader kastijdde hem tijdig
want daar groeien kindertjes van.

Refrein:
Want een mens is gras dat opschiet

en in de morgen bloeit,
maar in de avondstond des levens
blijkt heel de boel vaak onvolgroeid.

Hij huwde die meid van de buren
wat laat, ach dat was ook fatsoen.
Maar Mina had thuis ook de broek aan
en zette hem zo op rantsoen.

Des zondags ging hij steeds ter kerke
op werkdagen naar een kantoor.
Zo slofte hij stoffig door ’t leven:
een bestaan dat nimmer ontvroor.

Refrein: Want een mens is gras dat opschiet….

Met vijftig werd Hij plotsklaps wakker:
is dit wat mijn hartje begeert?
Diep in mij wil ik toch een beest zijn,
fel hitzig, zoals nooit werd geleerd.

Hij droomde van drank, drugs en meiden,
van zonde, zo zondig als wat.
Van ’t bitter en ’t zoete verleiden,
de duistere kant van de stad.

Refrein: Want een mens is gras dat opschiet…

Maar steeds als ’t beest hard ging brullen,
had kerk of kantoor weer een taak.
Of Mina, zij leed aan haar griepjes;
dat was wel verdommese vaak.

Of hij moest voor kindertjes zorgen,
voor luiers, of snot in ’t gezicht.
Het beest in zijn hart werd geborgen
onder druk van de eeuwige plicht.

Z’n  hart kon die druk niet lang dragen
dus spoedig gaf hij ook de geest.
Zijn laatste woord: ‘k had er nooit tijd voor,
maar, in waarheid ben ik toch een beest….

Refrein: Want een mens is gras dat opschiet…

Alfred  Bronswijk

Gedicht als lied gezongen, waarbij Alfred zich begeleidde op zijn gitaar. Het refrein kon worden meegezongen