Alfred Bronswijk

De lente leeft zich uit in een prelude
van ingekleurde frisse zinlijkheid,
en overtuigend speelt zij haar etude
van wachten op een nieuwe werk’lijkheid,

die komen kan, vanmorgen, zomaar vannacht,
of die misschien al was,  al tijden lang.
Terwijl  haar spelen  dromen overbracht
ziet  zij de vogel, hoort zijn solozang.

Haar spel valt stil. Zij ruikt de jasmijnengeur.
ervaart het ijlvreemd opgenomen zijn
in een wijds heelal  van een  en al majeur.
Dan  vlucht de vogel – achter blijft haar pijn.

Alfred Bronswijk

Mij was het leven steeds vreemd genegen.
Geen vaste plaatsen voor het moede hoofd.
Aan velen gaf ik vis, het voedzaam brood,
en schonk mijn wijn tot ieders zegen.

Ik zong op heuvels van lieve vrede
En plantte lelies in het stenen hart.
De machten raakten in mijn lied verward.
Mijn refreinen klinken door in steden.

Maar wat heeft mij dit alles opgebracht?
Ik ben nu prooi van felle spot en wind.
Gehangen tussen werkers van de nacht.

Of zijn de vrouwen soms mijn erewacht?
Beneden zie ik dan een wuivend kind.
Ik glimlach, knik het toe: het is volbracht.

Alfred Bronswijk

Levensweggaander, gij,
Gevangen in het wimpernet van ogenblik,
Maangestraald in zonnewendes
Rood op rood boeigeslagen,
Valbewogen staande opwaarts gevlogen,
Nooit geraakt, nooit bereden de fluisterpaarden
In blauw knagend steppeland, doof
Voor de onziekte van waarheid
Door begrenzing eindig eindeloos.
Gij, onzijnde,
Zoek hartkloppende sferen, hier
De gemelkwegde stelsels,
Die geheimen openbaren van
De steen bij de heg en
Vleugels van voorbij de dood.

Alfred Bronswijk

Geschreven in de stijl van het ‘alogisme’, of ’trans-rationeel- realisme’, 
een streven om buiten de grenzen van het ‘gezond verstand’ te treden en ruimte te geven aan de intuïtie. 
In deze stijl werkten ook dichters o.a. Khlebnikov, Guro en Kruchenykh. 
De laatste schreef met de musicus Matyushin de spraakmakende opera ‘Overwinning op de zon’,1913, 
waarvoor Malevich de beroemde kostuums ontwierp.

Melodie:  ‘It s a Long Way to Tipperary’

Solo: Wat heeft een dichter nodig
als de Muze hem verleidt?
Wat zal hem inspireren 
tot  de  roem in eeuwigheid?
Wat stuwt hem op tot hoogten,
en tot verzen ongedacht?
Is het misschien het thee-effect,
dat hem zijn regels bracht?

Allen:
Ach wel nee, ma, voor mij geen thee, ma,
ook geen PickWick of Earl Grey.
Op dat bocht ligt voor mij een fatwa                          
Uilenpies dat is passé!
Ik heb liever de promillages,
van wiskies of het bier.
Met het nat van Franse wijnplantages
doe je mij meer plezier.

Dus voortaan, ma, voor mij geen thee, ma,
niet van Lidl of de Plus.
Ik verklaar als persoonlijk dogma,
dat ik echt geen thee meer lus.
Want van thee, ma, wordt niemand dronken
en het stijgt niet naar je kop.
Waarom thee, ma, dan nog hier geschonken,
Hou daar , mee op.

Solo:
Want wie er, metri causa,
aan de rijmerij begint,
die heeft iets stevigs nodig,
voordat  hij iets moois verzint.
De nectar van de Muze
en liefst met glazen vol,
dat is geen kopje slappe thee,
dat is de alcohol!

Allen:
Ach wel nee, ma, voor mij geen thee, ma,
ook geen PickWick of Earl Grey.
Op dat bocht ligt voor mij een fatwa.                          
Uilenpies dat is passé!
Ik heb liever de promillages,
van wiskies of het bier.
Met het nat van Franse wijnplantages
doe je mij meer plezier.

Waar ik ook ben – de avond werpt haar schemernet.
Een torenspits verdedigt tevergeefs haar lijn.
Elk dorp zal straks een vage restvorm zijn
Van tinten grijs, waarmee de nacht wordt ingezet.

Alleen één ver verwijderd zeil pleegt nog verzet.
Het toont zijn afgetekend wit als klein festijn,
In weerwil van het overheersende refrein
Van kleurverlies, waar nu het land wordt ingebed.

Zoals de dag eenmaal van lichtpunten ontdaan
Niets méér is dan een schim van het voorbij bestaan,
Zo lijdt ouder worden aan onomkeerbaarheid.

Al kondigt grens na grens na grens zich aan
En is er minder toekomst om nog voor te gaan,
Tóch hijs ik witte zeilen in mijn  avondtijd.

Alfred Bronswijk