Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

Wacht rustig af, hij komt:
Oostenwind, alledaagse dinsdag, strakblauwe lucht.

Aarzel niet, fiets zuidwaarts de stad uit.

Na twee kilometer draait u zich om
De zon boven u staat stil. Paf.

De rest van de wereld duwt
een muis over een scherm
een spijker in de muur
een lepel in een hongerig kind.
Maar u ziet het: voor u schuift
onverbiddelijk, elegant, blind
over een lopende band
de complete Europese inboedel
door het rivierenland:
koelkasten, hout, vlees, gewapend beton, op drift geraakte schokdempers, uitlaten, banket.

U denkt:mijn hemel, zo gaat het, zo gaat het dus
en zo gaat het inderdaad.
Dit is Europa
voortsnellende ruis
verpakte drift.

De zon schijnt
de paarden kijken de andere kant op
u bent de enige die het ziet.

Alied van der Meer

Locatie: Zwarte Dennen, Staphorst,
Project: Overal in Overijssel

Hier moet je zijn
hier moet je wezen
hier kun je de herfst
blad voor blad lezen
Van groen naar geel
van geel naar rood
alles valt en dwarrelt
alles gaat hier prachtig dood

Knollen, bollen en boleten
eekhoornbrood en elfenbank
zie je zich ten gronde vreten
stuiven rond in eigen stank
De beuk steekt groen en geel de kroon
naar een lucht lichter dan blauw
een laatste staaltje kunnen
voor de tijd van rot en rouw.

Straks stort alles heerlijk in
herfst dondert, raast, verkilt
eindelijk zichzelf genoeg
vervalt, verwaait, verstilt
Blijf dus staan, geef op de strijd
kijk hoe herfst zich tooit
onthoud tenminste dit altijd:
-een zomer kan in ‘t water vallen-
 herfst mislukt nooit!

Alied van der Meer

Zo stil is alleen september soms
zo roerloos oud
en goedgemutst

Niemand heeft plannen
of steekt de straat over
als dat niet hoeft

Achtertuinen  zacht, slordig, per ongeluk
slechts kleine bedoelingen, bramen
open ramen
iemand in een kamer zingt prachtig vals
bosje sleutels aan buitendeur, achteloos
kat likt water van groot, groen blad
spinnen, wespen, vergeten dameslectuur

Niemand heeft iets in de gaten
iedereen blijft

Er is oogst
Er is stilte
Er is september

Er is een witte vliegtuigstreep                                            

Alied van der Meer

Wij liggen aan de IJssel,
jij en ik.
Jij groot en majesteitelijk,
ik  loom
en op jouw  gras.

Ik wandelde in jou en
werd verliefd
op schoonheid, kunst, geschiedenis
jouw  groen,
en stromend water.

Fraaie oude Hanzestad,
Deventer,
mijn hart versnelde zich door jou!
Intens
geniet ik van je.

Ik wil je twee jaar dienen,
als poëet!
Je behagen met gedichten,
zo puur,
je echt beminnen.

Benne Solinger

Mijn stad komt naar me toe met al haar straten
De roepstem van de muren
gaat aan mij voorbij, en luister…
een nieuw verhaal vertelt zich verder
De vreugde van de weg verstaat men
als geen ander, mijn eigen grond
waarop ik leef, en sterven wil.

De mooie vrouwen van weleer
duiken weg achter de ramen
Het feest dat hier begint, doet nu de ronde
door straten, over pleinen van verdriet en pijn
Ik kom jou tegen in een hoek van weer en wind
Waar storm en stilte tegelijk bestaan
waar waterstromen steeds hun weg hebben gevonden.
De torenklok heeft het gedruis nog niet vernomen.
Ik wacht geduldig, tot ze spreken zal. 

Dick Smeijers

Een stadsgedicht

Ik zie de mensen strompelen op de markt,
hun ruggen krom, hun ogen dof, hun armen
door veel te zware tassen uit de kom,
hun tred vertraagd door het ijselijk besef
dat thuis hen veel verdrietigs staat te wachten.
Zij teren zichtbaar op hun laatste krachten.

Ik zou hen in een springvloed van erbarmen
omhelzen willen, drukken aan mijn borst,
en zou hen willen zeggen, als ik dorst,
“verzamel moed, uw laatste beetje lef,
“o, broeders, zusters, laat het hoofd niet hangen,
“wij zijn voor één gat immers niet te vangen.

“Wij zijn met velen, en ik één van u,
“en samen valt er nog wat van te maken.
“Ik deel uw lot en ken uw kwade kansen
“en weet dat in het eindelijk uur ‘U’
“geen onzer tegen het noodlot op kan wegen,
“en Circulus zal komen om ons op te vegen.

Maar spaar mij uw lawaai en domme praat,
zo luid dat ik het in het voorbijgaan hoor,
en krimpen moet van schaamte en ellende,
het oog reeds beurs door alle wangedrochten.
En ook die foutief uitgesproken woorden,
waarvoor ik stadgenoten kan vermoorden.

En kom mij niet aan boord met van die vrouwen
die menen het aanzien nog steeds waard te zijn,
en zich afgrijselijk hebben toegetakeld
met tatoeages, piercings, stalen pennen
en ringen door de neus die slechts doen denken
aan plekken waar de slager staat te wenken.

En houd mij ver van zwaar behaarde mannen
met uitgepuilde pensen, bier doorvoed.
Ik zal hen in mijn bidstond niet gedenken
en sluit hen uit van mijn beproefd gemoed.
Ik walg van hun onsmakelijke kleding
als leven zij van aalmoes en bedeling.

Hoe langer ik hier loop, hoe meer ik zie
dat onverteerbaar is en niet te pruimen.
Ik moet de Brink nu op zijn snelst ontruimen,
voordat de wanhoop mij te grazen neemt
en ik, met het huiswaarts pad reeds in het zicht,
alsnog voor het onvermijdelijke zwicht.

Het wekelijks rantsoen is ingekocht
en wat gedaan moest worden is gedaan.
Wat mij betreft, was het weer meer dan raak:
het is zaak dat ik mij uit de voeten maak.

Herman Posthumus Meyjes

Nieuwe Deventer stadsdichter belooft spektakel,
kopte de krant. Dichters’ portret stond schrap daaronder:
een snor, een grijns met een hoed erop gezet.
Zie hem staan met z’n glas geheven
en met z’n lawaaihemd aan.
Je verwacht warempel nog een alaaf te horen.

Hij wil op zoek naar nieuwe vormen,
dicteerde hij de journalist
en prikkelen wil hij de burger. En bruisen wil hij,
met de dichter zelf als levend bruistablet.
En aan conventies heeft hij lak.
Heeft u dat?

Voor hem geen ivoren toren,
nee, hij wil roepen vanaf de daken
naar de man in de straat beneden,
luister burger, ik ben uw nar
en ga volstrekt mijn eigen gang.
En u moet niet zo onverdraagzaam wezen,
mijn maag is zwak, ik kan daar heel slecht tegen.

Het vaatje waar ik uit tap is bol, dat is mijn klankkast.
Ik brul daarin, en geniet dan van het ronken en de galm.

Maar wees gerust, mijn hart is klein, ik ben geen bijl.
De bescheiden bladerpracht van de reine berk kan mij zeer ontroeren
en de ook de IJssel brengt mij regelmatig van mijn stuk.
Maar als u mij nu wilt excuseren, uw dichter moet nu naar de bank.

Michiel van Hunenstijn

Hier stroomt het water, breder, dieper
rond  de schouderbladen van het land.
Een brug rekt zich naar de overkant
en onbewogen, alsof riep er

iemand vanuit de oneindigheid,
mediteert hij. Klokken in hem slaan:
wil tot het einde der aarde gaan,
ik zal met u zijn in eeuwigheid.

Zwijgend spreekt hij rondom pleinen aan
vanuit een verleden zinsverband.
Terwijl de veerpont hekgolven snijdt

zingt een kind zich boven alle tijd
van witte zwanen en engelland,
van sloten die ooit weer open gaan.

Alfred Bronswijk

De stad is overvol van wil en wensen,
die zich vertalen in omkoopbare realiteit
en spiegelruiten, waarachter uitgebreid
de summersale zich prostitueert aan mensen.

Haar taal herdefinieert verlangen
in de artikelen, de ongehoorde kansen, die
in elke kledingzaak of parfumerie
met hun schaamteloos ontblote prijzen lonkend hangen.

Maar wie of wat verkoopt zich hier aan wie?
Dingen zijn het summum van begeren.
Waar zijn in hebben wordt omgebogen,

de waarheid in cijfers weggelogen
tot zwaartekrachten, niet meer te keren,
gedijt de toonbank bij a-symetrie.

Alfred Bronswijk

het Tuinfeest
niet alleen een stortvloed van woorden
ook de regen liet zich niet onbetuigd
dichters uit het hele land
soms saai, soms spannend,
soms verrassend, soms heel leuk
Anne Enquist, voetbalfan
Eva Gerlach, mijn God wat saai
Ted van Lieshout, heel erg leuk
Daar lag ik echt van in een deuk
Dan met zijn typische hoge nasale stemgeluid
op melodieuze wijze zijn eigen eigenwijze teksten
voordragende Gerrit Komrij
het kwam allemaal voorbij
de nieuwe stadsdichter werd bekend
waar de jury unaniem voor koos
ik heb hem gezien
ik heb hem gehoord
hij noemt zich de nar van Deventer
het lijkt mij wel een leuke vent
deze Lammert Voos

het Tuinfeest
de dag voor de boekenmarkt
meestal uitverkocht
maar ik zal haar eens verrassen
mijn relaties opgezocht
de kaarten toen geregeld
helaas pleegde zij verraad
stond ik alleen
ik twijfelde
moet ik er nog wel heen?
maar uiteindelijk toch gegaan
al was het alleen maar voor Heleen

haar afscheid viel letterlijk in het water
het kan verkeren zei Bredero
dus laten we het maar zo?
nee, nee, nee  dat doen wij dus niet
Heleen Bosma
dichteres van deze stad
de beste die wij
de afgelopen 2 jaar hebben gehad
oké, oké
we hadden er maar een
maar het was wel onze Heleen

met de gave van het woord
schreef ze over buurtschappen
waar ik zelfs, als Deventernaar
nog nooit van  had gehoord
dus doe ik hier
wat ze daar waren vergeten
ik zeg je dank
Heleen Bosma,
schrijver, dichter, avonturier

Twan van Dijk

voor Brendalin S.

Soms heb je iets begrepen
terwijl het nog veel te vroeg was om iets te begrijpen.
Soms heb je iets zien schemeren
terwijl het al veel te laat was om van schemer te kunnen spreken.
Soms heb je iets vermoed
terwijl je helemaal de moed niet bezat om iets te vermoeden.

Soms heb je iets gehoord
terwijl zij te ver verwijderd was om gehoord te kunnen worden.
Soms heb je iets gevoeld
terwijl zij zich zo schuil hield dat je helemaal niets kon voelen.
En soms heb je iets gezien
terwijl zij je zo aankeek dat je niets terug kon zien.
                                                                                                 
Soms heb je haar aangeraakt
terwijl het een te lichte aanraking was om te herinneren.
Soms heb je haar aangekeken
en zag je de hele volgende dag niemand anders voor je
en soms zag je haar silhouet
terwijl je dacht ‘dat is het silhouet van iemand van wie ik wel vaker  
                                                        [het silhouet zou willen zien’.

Soms heb je haar ontmoet
terwijl zij haar raampje voor je naar beneden draaide
en toen had je ook zelf
je raampje naar beneden willen draaien.                                                                                                
En soms zag je een ree of een wipstaartje voorbij komen
terwijl je heel goed wist dat daar geen reeën of wipstaartjes
                                                                       [rondlopen.

Soms ontmoet je haar
terwijl je weet dat, als het er op aan komt,
je geen woorden zult hebben
om haar te zeggen ‘dit is een ontmoeting’ —
en dan laat je haar een oude Ierse dorst lessen
terwijl je heel goed weet dat dorst uiteindelijk niet te lessen valt.

Soms … soms … soms …
en daarom schrijf je maar een gedicht.

Herman Posthumus Meyjes

n.a.v. Het gedicht “Een Koraal” van Rutger Kopland

Weten wij van wie wij dit alles hebben geërfd?
Van de ontelbaren die ons voorgingen,
van de dichters en de piramidebouwers,
van de orgelspelers en van ieder die doelloos zwerft,
van allen die hun naam
in de bast van de geschiedenis
       hebben gekerfd.

En weten wij dat wie niet omkijkt aan blikveld derft,
omdat alleen wie terugblikt vooruit kan zien?
Vraag het de man met de kwast die een lijn op het wegdek verft,
zorgvuldig het midden van het pad opmetende
en borden stellende om ook zelf niet te verdwalen —
en die de vederlichte vogel vindt
       die sterft.

Herman Posthumus Meyjes                                             Puy Bascle, 22 juli 2011

Koppig zijn muziek als donker bier,
op het tomeloze af tarten zijn
passies de zwaartekracht, maar
lichtvoetigheid is ver van hier:
alles ademt absolute macht,
nadert tot god en vorst –
dit is het voorspel van het avondland.

Jos Paardekooper

Er was eens een meisje
Lopend langs water
In het water
Lag een kater
Die niet goed zwemmen kon

Meisje aarzelde geen moment
En belde 112
Kater gered
Meisje zoet
Kreeg eremedaille
Voor heldenmoed

Maar niemand wist
Kater lag niet in water
Toen meisje daar voorbij liep

Kater belande in water
Omdat meisje met kleine Peter
Had gewed om poet
Wie als eerste kon behalen
Een medaille voor heldenmoed

Olivier Rensing

mijn naam is Twan
ik sloeg de bal zo hard en hoog
dat die om de wereld vloog
hem niet meer heb gezien
tot ik hem terug vond op de green
het was een hole in one!

Twan van Dijk

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!