Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

Tekst wordt nog aangeleverd…



Alfred Bronswijk

Als ik een gedicht was,
dan hoefde ik niet te rijmen,
alleen als het zo uitkwam.

Als ik een gedicht was,
dan hoefden mijn regels
zich niet in een regelmatig ritme te voegen
noch mijn verzen in een vaste vorm.

Dan hoefde ik niet te ontroeren
of zo nodig grappig te zijn,
al zou ik daar van genieten.

Ook hoefde ik niet te verschijnen
in een dichtbundel of poëzietijdschrift,
hoewel ik het wellicht leuk zou vinden
om mezelf in druk tegen te komen,
en te zeggen, ‘Hé, die ken ik. Dat ben ik.’

Ik hoefde niet op te treden
op poëziefeesten en nachten van gedichten,
al zou ik waarschijnlijk wel gaan
als ik uitgenodigd zou worden,
maar alleen als het zo uitkwam.

Als ik een gedicht was,
zou dit mij al genoeg zijn,
dat als ik mezelf had voorgedragen
en uitgeklonken was,
dat het even stil zou zijn,
en dat iemand van de toehoorders
zachtjes in een zucht zou zeggen

Ach, als ik maar een gedicht was.

Martin Walton

In de bundel Oostenwind (Groningen: Uitgeverij Passage 2011) van Heleen Bosma las ik achterin (p. 56) dat haar collega als voormalig stadsdichter van Deventer, Jos Paardekoper, eens ‘een spits en komisch pleidooi tegen het als-gedicht’ heeft gehouden. Zelf heb ik moeite met gedichten over het dichten en dichter zijn en wat een gedicht nou is. Ik besloot beide bedenkelijkheden met elkaar te verbinden, in de hoop dat een dubbele bedenkelijkheid zou werken als een dubbele negatie.

Events echo on specific days
caught in your mind now set on fire
You map and promote a given talent
while people read, universally admire

For the written word subjects passing time
since printed ideas surpass an oral fashion
Like twigs carefully nestled by some mother bird
although any composition limits other expression

And soon enough a manly person does come along
claiming newly plus shocking interpretations
thus changing the mode, seemingly strong

So be not surprised thy profound frozen flair
will recede in our fostering memory
as if purposely diluted into fragile air

Maarten Douwe Bredero

                                                                                 Vertel me het grootste
                                                                                 in je leven, de spanwijdte
                                                                                 die jij in tijd en ruimte bestrijkt …..
                                                                                 Vertel me het kleinste
                                                                                 en daarvan de details …..

                                                                                 Heleen Bosma, 
                                                                                 “Oostenwind, Deventer gedichten”  (2011)

Ben ik die jongen aan het strand
van Bloemendaal, kort voor de oorlog,
die met een stok een lijn trekt
en zegt: aan deze kant is het leven
en aan die kant de dood,
en ik woon aan deze kant?

Maar een lijn in het zand
is slechts een kleine barrière,
je springt er zo overheen.
Dat wist ik toen ook al.
Ik wachtte tot de vloed kwam
en de lijn uit zou wissen.

Ik denk niet dat ik toen al wist
dat het verschil tussen beide zó gering was,
zo wisbaar door zwakke golven,
maar ik sprong wel heen weer,
van het ene been op het andere,
en ik riep: “hier, daar, hier, daar”.

Ik wist dat het leven groot was,
en de dood klein, of misschien ook andersom,
dat zou nog moeten blijken.
En dat het zich zou afspelen op dat strand,
waar het zand in de diepte donker en zwaar was
en aan het oppervlak licht, van kleur en gewicht.

Op de achtergrond rolde de branding —
over groot gesproken.
Dàt was pas een scheidslijn,
een verschil tussen leven en dood.
Ik klampte mij vast aan de strandpaal,
daar op dat strand van Bloemendaal.

Herman Posthumus Meyjes

Je begint met niets
maar er komt altijd iets
stap voor stap
wankelend begin je
je gaat op pad
of je kiest je weg
hobbels worden genomen
of niet, elk pad is anders
je merkt het aan de tred
als je goed oplet
soms zie je niets
maar er is altijd iets
het is er allemaal
soms afgedekt
zoek, of zoek niet
ieder baant z’n eigen weg
je begint met niets
maar er komt altijd iets

José Hattink

Warm, simpel en klein
fijn, krassen op papier
kopvoeter hier, spelen en nog eens spelen
met zovelen, dit blijft niet zo
o, we gaan de grotemensenwereld binnen
vele zinnen, kennis en indrukken
gaat zeker lukken, geen keus
is de leus, voor velen een verademing
niet gering, gedachtenspinsels dwarrelen voorbij
alsof ik brei, een patroon voor een jasje
met of zonder pasje?, is het warm genoeg?
wat ’n gezwoeg, ach het maakt niet uit
wat ik besluit, zoveel klanten kan ik op
is dat top? Onnodige ballast
zit ik er aan vast? Ik moet naar die spinsels toe
maar hoe? Het ontwaren van de draden
laat me raden, één voor één trek ik eraan
en blijf doorgaan, eerst de pas
dan de jas, verder trek ik het uit
…tot de bol
… wol
warm, simpel en klein

José Hattink

1.
Weggaan is
een cowboy
gepoetste schoen    
gestreken strop

rechtsaf omhoog, iet wiet waait los
overal verte, water, bos

het land ligt leeg, het hoofd laat vrij
‘Hallo wereld, hier komen wij!’

1.
Terugkeer is
een knieval
knoestige moeder
roestige sleutel

de geur van onze eigen gang
aardappelmandje, oud behang

is prompt vergeten waar we staan
en omvallen en slapen gaan.

Alied van der Meer

Wacht rustig af, hij komt:
Oostenwind, alledaagse dinsdag, strakblauwe lucht.

Aarzel niet, fiets zuidwaarts de stad uit.

Na twee kilometer draait u zich om
De zon boven u staat stil. Paf.

De rest van de wereld duwt
een muis over een scherm
een spijker in de muur
een lepel in een hongerig kind.
Maar u ziet het: voor u schuift
onverbiddelijk, elegant, blind
over een lopende band
de complete Europese inboedel
door het rivierenland:
koelkasten, hout, vlees, gewapend beton, op drift geraakte schokdempers, uitlaten, banket.

U denkt:mijn hemel, zo gaat het, zo gaat het dus
en zo gaat het inderdaad.
Dit is Europa
voortsnellende ruis
verpakte drift.

De zon schijnt
de paarden kijken de andere kant op
u bent de enige die het ziet.

Alied van der Meer

Locatie: Zwarte Dennen, Staphorst,
Project: Overal in Overijssel

Hier moet je zijn
hier moet je wezen
hier kun je de herfst
blad voor blad lezen
Van groen naar geel
van geel naar rood
alles valt en dwarrelt
alles gaat hier prachtig dood

Knollen, bollen en boleten
eekhoornbrood en elfenbank
zie je zich ten gronde vreten
stuiven rond in eigen stank
De beuk steekt groen en geel de kroon
naar een lucht lichter dan blauw
een laatste staaltje kunnen
voor de tijd van rot en rouw.

Straks stort alles heerlijk in
herfst dondert, raast, verkilt
eindelijk zichzelf genoeg
vervalt, verwaait, verstilt
Blijf dus staan, geef op de strijd
kijk hoe herfst zich tooit
onthoud tenminste dit altijd:
-een zomer kan in ‘t water vallen-
 herfst mislukt nooit!

Alied van der Meer

Zo stil is alleen september soms
zo roerloos oud
en goedgemutst

Niemand heeft plannen
of steekt de straat over
als dat niet hoeft

Achtertuinen  zacht, slordig, per ongeluk
slechts kleine bedoelingen, bramen
open ramen
iemand in een kamer zingt prachtig vals
bosje sleutels aan buitendeur, achteloos
kat likt water van groot, groen blad
spinnen, wespen, vergeten dameslectuur

Niemand heeft iets in de gaten
iedereen blijft

Er is oogst
Er is stilte
Er is september

Er is een witte vliegtuigstreep                                            

Alied van der Meer

Wij liggen aan de IJssel,
jij en ik.
Jij groot en majesteitelijk,
ik  loom
en op jouw  gras.

Ik wandelde in jou en
werd verliefd
op schoonheid, kunst, geschiedenis
jouw  groen,
en stromend water.

Fraaie oude Hanzestad,
Deventer,
mijn hart versnelde zich door jou!
Intens
geniet ik van je.

Ik wil je twee jaar dienen,
als poëet!
Je behagen met gedichten,
zo puur,
je echt beminnen.

Benne Solinger

Mijn stad komt naar me toe met al haar straten
De roepstem van de muren
gaat aan mij voorbij, en luister…
een nieuw verhaal vertelt zich verder
De vreugde van de weg verstaat men
als geen ander, mijn eigen grond
waarop ik leef, en sterven wil.

De mooie vrouwen van weleer
duiken weg achter de ramen
Het feest dat hier begint, doet nu de ronde
door straten, over pleinen van verdriet en pijn
Ik kom jou tegen in een hoek van weer en wind
Waar storm en stilte tegelijk bestaan
waar waterstromen steeds hun weg hebben gevonden.
De torenklok heeft het gedruis nog niet vernomen.
Ik wacht geduldig, tot ze spreken zal. 

Dick Smeijers

Een stadsgedicht

Ik zie de mensen strompelen op de markt,
hun ruggen krom, hun ogen dof, hun armen
door veel te zware tassen uit de kom,
hun tred vertraagd door het ijselijk besef
dat thuis hen veel verdrietigs staat te wachten.
Zij teren zichtbaar op hun laatste krachten.

Ik zou hen in een springvloed van erbarmen
omhelzen willen, drukken aan mijn borst,
en zou hen willen zeggen, als ik dorst,
“verzamel moed, uw laatste beetje lef,
“o, broeders, zusters, laat het hoofd niet hangen,
“wij zijn voor één gat immers niet te vangen.

“Wij zijn met velen, en ik één van u,
“en samen valt er nog wat van te maken.
“Ik deel uw lot en ken uw kwade kansen
“en weet dat in het eindelijk uur ‘U’
“geen onzer tegen het noodlot op kan wegen,
“en Circulus zal komen om ons op te vegen.

Maar spaar mij uw lawaai en domme praat,
zo luid dat ik het in het voorbijgaan hoor,
en krimpen moet van schaamte en ellende,
het oog reeds beurs door alle wangedrochten.
En ook die foutief uitgesproken woorden,
waarvoor ik stadgenoten kan vermoorden.

En kom mij niet aan boord met van die vrouwen
die menen het aanzien nog steeds waard te zijn,
en zich afgrijselijk hebben toegetakeld
met tatoeages, piercings, stalen pennen
en ringen door de neus die slechts doen denken
aan plekken waar de slager staat te wenken.

En houd mij ver van zwaar behaarde mannen
met uitgepuilde pensen, bier doorvoed.
Ik zal hen in mijn bidstond niet gedenken
en sluit hen uit van mijn beproefd gemoed.
Ik walg van hun onsmakelijke kleding
als leven zij van aalmoes en bedeling.

Hoe langer ik hier loop, hoe meer ik zie
dat onverteerbaar is en niet te pruimen.
Ik moet de Brink nu op zijn snelst ontruimen,
voordat de wanhoop mij te grazen neemt
en ik, met het huiswaarts pad reeds in het zicht,
alsnog voor het onvermijdelijke zwicht.

Het wekelijks rantsoen is ingekocht
en wat gedaan moest worden is gedaan.
Wat mij betreft, was het weer meer dan raak:
het is zaak dat ik mij uit de voeten maak.

Herman Posthumus Meyjes

Nieuwe Deventer stadsdichter belooft spektakel,
kopte de krant. Dichters’ portret stond schrap daaronder:
een snor, een grijns met een hoed erop gezet.
Zie hem staan met z’n glas geheven
en met z’n lawaaihemd aan.
Je verwacht warempel nog een alaaf te horen.

Hij wil op zoek naar nieuwe vormen,
dicteerde hij de journalist
en prikkelen wil hij de burger. En bruisen wil hij,
met de dichter zelf als levend bruistablet.
En aan conventies heeft hij lak.
Heeft u dat?

Voor hem geen ivoren toren,
nee, hij wil roepen vanaf de daken
naar de man in de straat beneden,
luister burger, ik ben uw nar
en ga volstrekt mijn eigen gang.
En u moet niet zo onverdraagzaam wezen,
mijn maag is zwak, ik kan daar heel slecht tegen.

Het vaatje waar ik uit tap is bol, dat is mijn klankkast.
Ik brul daarin, en geniet dan van het ronken en de galm.

Maar wees gerust, mijn hart is klein, ik ben geen bijl.
De bescheiden bladerpracht van de reine berk kan mij zeer ontroeren
en de ook de IJssel brengt mij regelmatig van mijn stuk.
Maar als u mij nu wilt excuseren, uw dichter moet nu naar de bank.

Michiel van Hunenstijn

Hier stroomt het water, breder, dieper
rond  de schouderbladen van het land.
Een brug rekt zich naar de overkant
en onbewogen, alsof riep er

iemand vanuit de oneindigheid,
mediteert hij. Klokken in hem slaan:
wil tot het einde der aarde gaan,
ik zal met u zijn in eeuwigheid.

Zwijgend spreekt hij rondom pleinen aan
vanuit een verleden zinsverband.
Terwijl de veerpont hekgolven snijdt

zingt een kind zich boven alle tijd
van witte zwanen en engelland,
van sloten die ooit weer open gaan.

Alfred Bronswijk

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!